Rumi vertelt een parabel. Er leefde eens een sultan. De mensen van die tijd hielden veel van hun leider. Hij had namelijk niet alleen heerschappij over het land, hij had tevens een plek in hun harten veroverd. Zelf verlangden zij ernaar door deze edelmoedige man gekend en geliefd te worden. Daarom gingen zij op bepaalde dagen naar Bagdad, verschenen voor de sultan en boden hem geschenken aan. Op een dag waarop de rijken en welgestelden kostbare geschenken brachten, zocht ook een arme man naar iets dat een sultan waardig zou zijn. Toen hij niets van waarde kon vinden, schoot hem de gebarsten kruik thuis te binnen. Hij vulde haar met het ijskoude water uit de dorpsbron en ging op weg.
Al snel kwam hij iemand tegen. Toen die hoorde wat hij deed en waar hij naartoe ging, zei hij spottend: “Weet je niet dat de sultan aan de bron zelf woont? En dat het water van jullie waterbron óók van hem is.“ De arme man bloosde, slikte en kreeg een brok in zijn keel. “Het zij zo!” zei hij, “de sultan doet wat een sultan betaamt, en de bedelaar wat de bedelaar betaamt. Al heb ik geen geschenk dat een vorst waardig is – ik heb een hart vol liefde voor hem, een hart dat verlangt hem zijn eigen water aan te bieden.”
Met zijn gebarsten kruik verscheen hij voor de sultan. De sultan handelde inderdaad zoals het een sultan betaamde: ook hém bewees hij eer. Toen de man terugging, zei hij: “Wat iemand ons ook brengt, stuur hem niet met lege handen terug; vul zijn kruik met goud.”
Rumi weet zulke zaken prachtig te duiden. Hij vertelt deze parabel en zegt: “Al komen wij met iets triviaals, de deur waartoe wij ons wenden is de deur van God.” Onze vrienden hebben met diezelfde gedachte deze serie teksten Kırık Testi – “De Gebarsten Kruik” – genoemd.
De waarde van de intentie
Ook Bediüzzaman zegt, in de Vierentwintigste Rede, wanneer hij de ‘alomvattende intentie’ (al-niyya al-kulliyya) uitlegt: Stel dat iemand met een geschenk ter waarde van vijf cent voor een vorst verschijnt. Hij ziet daar geschenken uitgestald liggen die miljoenen waard zijn, afkomstig van mensen met aanzien. Het schiet door zijn hoofd: ‘Mijn geschenk stelt niets voor, wat moet ik doen?’ Dan zegt hij opeens: ‘Mijn heer! Al die kostbare giften bied ik u namens mijzelf aan. Want u bent ze waardig. Had ik de macht, dan zou ik u het dubbele schenken.’ Met andere woorden: “O koning der koningen! O sultan der sultans! Deze mensen geven u deze kostbare geschenken, terwijl ik slechts dit heb. Als het in mijn macht lag, als het mogelijk was, zou ik u een geschenk aanbieden dat al deze geschenken evenaart..”
Hier is de intentie (niyya) van het grootste belang. De intentie vormt namelijk de ware diepte van aanbidding en gehoorzaamheid. Aanbidding en gehoorzaamheid zijn handelingen, gedragingen en acties. Hun werkelijke diepte echter ligt in de intentie van de mens, in het zuiver en oprecht verrichten ervan. Tegelijkertijd is het essentieel om wat je doet niet als veel te beschouwen, het niet als voldoende te accepteren, niet in de vergissing te vervallen van zelfgenoegzaamheid, wat je verricht als weinig te zien en te streven naar meer. Inderdaad, wij zeggen tegen niemand: “Bid duizend gebedseenheden (rakʿāt).”
Dankbaarheid die geen einde kent
Maar stel dat iemand zou opstaan en zeggen: “Ik bid er steevast duizend, wat vindt u daarvan?” Dan zou ik antwoorden: “Als je het kunt, voeg er nog duizend aan toe. Maak er tweeduizend van!”
Echter, als er een reden is voor mij om dit niet te zeggen, dan is dat wel de volgende overlevering van de Godsgezant ﷺ: “De godsdienst is in zijn geheel gebouwd op vergemakkelijking. Wie hem verzwaart en onleefbaar maakt, zal erdoor overwonnen worden en drijft zo degene die zijn best doet de godsdienst na te leven ertoe hem te verlaten.” Om niet in de fout van zulke verzwaring te vervallen, zeg ik dus niet “méér”. Maar als iemand mij vraagt vanuit het perspectief van Gods recht op ons, dan moet ik – al bad hij niet duizend maar drieduizend gebedseenheden – tóch “méér” zeggen.
Abū Hurayra (moge God tevreden met hem zijn) zei elke dag twaalfduizend keer subḥānallāh. Toen hem naar de reden werd gevraagd, antwoordde hij: “Evenveel als mijn zonden, niet meer.” Wat waren dan zijn zonden? Wat deed hij verkeerd? Ik geloof niet dat hij iets misdeed. Hij had zich in de Suffa gewijd aan de Godsgezant ﷺ. In drie jaar vergaarde hij kennis waarvoor anderen twintig jaar nodig hadden. Hij behoorde tot de geleerden onder de metgezellen. Zoals zijn kameraden getuigden, had hij zich afgesloten voor elk werelds genot, behalve de genade en gunst die van zijn Heer zouden komen. Ik acht het onwaarschijnlijk dat zo iemand iets slechts zou doen.
Waarschijnlijker is – zoals ik zojuist aangaf – dat hij de gunsten van God zag en besefte dat hij daarvoor niet voldoende kon danken. Elk ogenblik, elke fractie van een seconde, werd hij overspoeld door Diens zegeningen, en toch kon hij zijn dank nooit volledig betuigen. Daarom nederig gebogen antwoordde hij met subḥānallāh. Waarschijnlijk hield hij voortdurend rekenschap met zichzelf en dacht: “Er is een moment voorbijgegaan waarin ik van Hem gescheiden was.” En voor dát moment vroeg hij om vergeving.
