Naar inhoud
← Alle artikelen

De Gebarsten Kruik

Hoe de Satan de mens misleidt

· Fethullah Gülen · 14 min leestijd

Een klein silhouet reikt in de schemering naar een glanzende gouden appel aan een lijn, waar een scherpe vishaak dwars doorheen steekt.

Vraag: Wat moet een mens doen en vermijden om niet in de valstrikken van de Satan te trappen, zoals dat hij zichzelf als een aanhanger van de waarheid beschouwt terwijl men in dwaling leeft, of zichzelf als bescheiden beschouwt terwijl men in hoogmoed is verzonken?

Antwoord: Wat de Satan zich tot hoofdtaak heeft gesteld, is de mens van het rechte pad afbrengen. Hij pakt dat op de meest uiteenlopende manieren aan en haakt de mens telkens weer pootje. Voordat we ingaan op het onderwerp, moet één ding gezegd worden: bij het ontstaan van het kwaad mogen wij de Satan geen scheppende werking toeschrijven. Hij bezit namelijk geen zelfstandige scheppingskracht waarmee hij het kwaad kan voortbrengen. Wanneer de Edele Koran de rol van de Satan bij het begaan van het kwaad beschrijft, noemt hij hem, zoals wij hieronder nader zullen uitwerken, musawwil en muzayyin: degene die slechte daden mooi voorspiegelt, die het kwaad in iemands ogen opsiert.

Hoe de Satan het kwaad opsiert en de mens bedriegt

Wanneer de Koran spreekt over mensen die weer omkeren nadat de waarheid hun volkomen duidelijk is geworden, zegt hij: الشَّيْطَانُ سَوَّلَ لَهُمْ وَأَمْلَىٰ لَهُمْ “De Satan heeft hun daden mooi voorgespiegeld en hen met ijdele hoop aan het lijntje gehouden.”1 In een ander vers staat dat de Satan de slechte daden van mensen opsiert en aanlokkelijk maakt: وَزَيَّنَ لَهُمُ الشَّيْطَانُ أَعْمَالَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ السَّبِيلِ “De Satan heeft hun daden in hun ogen opgesierd en hen zo van de rechte weg afgehouden.”2

Zoals te zien is, is wat de Satan doet niet het kwaad scheppen en of de mens daartoe dwingen; hij tuigt het op met klatergoud en maakt het zo aanlokkelijk in de ogen van de mens, laat het met valse gedachten anders lijken dan het is, en speelt in op waanbeelden en verwachtingen om de mens tot het kwaad aan te zetten.

De Koran laat de grens van de invloed van de Satan op de mens haarscherp zien, en wel bij monde van de Satan zelf. Op de Dag der Opstanding zal hij zijn volgelingen zijn eigen grenzen zo voorhouden: وَمَا كَانَ لِيَ عَلَيْكُمْ مِنْ سُلْطَانٍ إِلَّا أَنْ دَعَوْتُكُمْ فَاسْتَجَبْتُمْ لِي فَلَا تَلُومُونِي وَلُومُوا أَنْفُسَكُمْ “Ik had geen enkele dwingende macht over jullie. Ik heb jullie alleen geroepen, en jullie hebben mijn roep gevolgd. Verwijt het dus niet mij, verwijt het jezelf.”3 De Satan fluistert de mens dus twijfel in, siert het kwaad op en maakt het mooi, hij zet hem tot het kwaad aan, maar hij kan hem zijn wil niet afnemen en hem niet tot zonde dwingen. Wie voor het kwaad kiest en ingaat op de roep van de Satan, is de mens zelf. God spreekt daarover ook een helder oordeel uit: “De Satan had over hen geen gezag, geen dwingende macht…”4

De Edele Koran zegt: “Het verlangen naar vrouwen, zonen, opgestapelde schatten van goud en zilver, raspaarden, vee en akkers is de mensen aanlokkelijk gemaakt.”5 Zo wijst hij ons op onze menselijke zwakheden en kwetsbaarheden. Juist die kwetsbaarheden in de natuur van de mens weet de Satan uitstekend te benutten. Hij probeert soms via lust binnen te dringen, soms via de liefde voor kinderen, soms via de onstuitbare drang naar rijkdom, soms via de zucht naar aanzien, wereldse roem en een gemakkelijk leven. Natuurlijk is niet elk van deze zwakheden bij iedereen in dezelfde mate aanwezig. De Satan speurt naar de zwakke plek van een mens en probeert hem juist daar te bedriegen.

Waar de Satan binnendringt

Deze strijd van de Satan tegen de mens begon al aan het begin van de mensheid, bij Adam (vrede zij met hem). De Koran vertelt het zo: “Maar de Satan fluisterde hem een kwade suggestie in, en zei: ‘O Adam, zal ik jou leiden naar de boom van het eeuwigdurende leven en een koninkrijk dat nooit zal vergaan?’”6 De Satan speelde in op bepaalde neigingen in Adams natuur, fluisterde hem in en dreef hem naar de verboden boom. Om het met een iftar te vergelijken: de zon leek voor Adam al gezonken, het wachten scheen voorbij, en zijn hand ging naar wat verboden was. Maar het was nog niet de tijd ervoor. Het staat buiten kijf dat Adam ons niet nodig heeft om voor hem in te staan. Want hij is Ṣafiyyullāh, de uitverkorene, de zuivere. Toch mag wie over een profeet spreekt eerbied en bezonnenheid geen moment laten varen. Daarom lijkt het passender zijn misstap7 te zien als een vergissing te goeder trouw, uit eigen inzicht.

Gevoelens als lust, onstuitbare drang, woede, wrok, hoogmoed en koppigheid horen bij de menselijke natuur. Deze menselijke neigingen die in Adams natuur lagen, leefden voort in zijn nageslacht. Adam (vrede zij met hem) hield ze in bedwang door geloof, wil en de tucht van het dienaarschap; hij bracht zijn ziel tot gehoorzaamheid en bereikte de hoogten die bij de eretitel Ṣafiyyullāh horen. In de taal van de soefi’s: hij maakte van zijn kwaadwillende ziel eerst een zelfverwijtende ziel en daarna een geruste ziel, ging van daar verder naar de tevreden, welgevallige ziel, en daarna ging hij ook die te boven, en rees op naar de hoogten van de gelouterde ziel.8 Maar niet iedereen uit zijn nageslacht heeft dezelfde wil en dezelfde fijngevoeligheid kunnen tonen. De Satan kent deze zwakke plekken van de mens goed en gaat bij een ieder anders te werk. Bij de een prikkelt hij de lust, bij de ander de onstuitbare drang, bij een derde woede, en bij weer een ander hoogmoed, eigenwaan, zelfingenomenheid of de zucht naar aanzien. Waar hij in een mens een zwakte ziet, daar probeert hij het liefst binnen te komen.

De valkuil van hoogmoed, eigenwaan en zelfingenomenheid

Hoogmoed, eigenwaan en zelfingenomenheid behoren tot de belangrijkste zwakheden waarlangs de Satan de mens binnendringt. Door deze gevoelens in de mens op te stoken, bedriegt hij hem en drijft hij hem van God weg. Wie door hoogmoed wordt meegevoerd, gaat zich boven de anderen stellen. Wie vol eigenwaan is, meent dat hij heer en meester is over zichzelf; zijn gaven noemt hij de zijne, en wat hem gelukt is, het werk van zijn eigen hand. Wie zelfingenomen is, bewondert zichzelf, roemt op wat hij heeft gedaan en wil bij elke gelegenheid over zijn kwaliteiten spreken. Soms doet hij dat niet openlijk, maar met nederigheid als dekmantel, en dat is niets anders dan gecamoufleerde hoogmoed en eigenwaan. Stiekem prijst hij zichzelf aan en belegt zo op een bescheiden manier in het zeggen van astaghfirullāh (“ach, welnee”) en kiest zijn woorden zo dat hij hengelt naar de lof van zijn toehoorders. Zo bedriegt hij, zonder het te merken, zichzelf én de mensen om hem heen. Daarom kunnen hoogmoed en eigenwaan die zich achter nederigheid verschuilen gevaarlijker zijn dan de openlijke eigenwaan van Qārūn, die zei: إِنَّمَا أُوتِيتُهُ عَلَىٰ عِلْمٍ عِنْدِي “Deze rijkdom is mij slechts gegeven dankzij de kennis die ik bezit.”9

Zo iemand, in de greep van zijn hoogmoed en eigenwaan en aan de leiband van de Satan, probeert zelfs wanneer hij de waarheid verkondigt zichzelf op de voorgrond te zetten. Ogenschijnlijk legt hij de Koran uit, verklaart hij de overleveringen of licht hij vragen van de godsdienst toe, maar wie een beetje op zijn woorden let, ziet dat hij tussen de regels onophoudelijk zichzelf aanprijst. Met zijn mooie, verzorgde woorden en de diepe kennis die hij tentoonspreidt, wil hij in feite zijn eigen voortreffelijkheid onderstrepen. Wie zich zo door de prikkels van de Satan laat drijven, ziet op den duur niemand anders dan zichzelf. Eerst voelt hij zich beter dan zijn gelijken, daarna begint hij neer te kijken op de grote figuren uit het verleden. Wordt dit gevoel niet beteugeld, dan groeit het door; het kan iemand zover brengen dat hij zich met profeten gaat meten, of nog veel verder afglijdt. Zo zijn er door de geschiedenis heen talloze mensen aan zulke ziekelijke gemoedstoestanden ten prooi gevallen: bedriegers die zich als profeet voordeden, valse messiassen en mahdi's, en tirannen en dictators die zich boven elke maat verheven achtten. Sommigen van hen zijn zelfs afgegleden naar gedachten als incarnatie en eenwording met God, en gingen zo ver dat ze zichzelf goddelijk verklaarden. Hoogmoed en eigenwaan slaan een gat in een mens. Komt de Satan daardoor ook maar één keer zijn ikheid binnen en houdt die mens hem dan niet met zijn wil tegen, dan valt niet te zeggen waar hij nog overal heen wordt gesleurd.

Is een mens niet op zulke gevaren voorbereid, en huist in hem ook maar een beetje liefde voor aanzien en wereldse roem, een verlangen om gezien te worden en zichzelf te laten gelden, dan kan hij, zodra een handjevol mensen zich tot hem wendt, meteen bevangen raken door de zucht om een eigen groep te vormen. Zijn er bovendien vleiers om hem heen die hem groter maken dan hij is, zijn successen aandikken en hem met lof overladen, dan ziet hij zichzelf zo groot als twee mensen, en zij tonen hem zo groot als tien; wat later zeggen ze dat hij het werk van honderd mensen doet, en nog wat later dat van duizend. Op den duur gaat hij naar die complimenten luisteren, houdt hij wie hem prijzen dicht bij zich en wil hij hun aandacht niet verliezen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel van wederzijds bedrog: zij blazen je op met hun lof, en jij voedt hen met je gunst en je aandacht. Uiteindelijk gaan beide partijen elkaar anders zien en anders voorstellen dan ze zijn. Zolang dit wederzijdse gepaai doorgaat, zwellen de ego’s, raken de maten zoek en kan een mens zichzelf niet meer nuchter beoordelen. Een ballon die verder wordt opgeblazen dan hij verdraagt, knapt uiteindelijk. Zo komt ook iemand wiens hoogmoed en eigenwaan voortdurend worden aangewakkerd, onvermijdelijk op een dag geestelijk ten val.

De Satan geeft het valse de schijn van waarheid

Soms siert de Satan het kwaad zo op en hangt hij het zo vol klatergoud dat mensen die in opstand en overmoed leven zichzelf op de rechte weg wanen. Zo gaan zij op den duur het ware voor het valse en het valse voor het ware wanen, goed voor fout en fout voor goed. Een tiran die duizenden mensen zwaar onrecht aandoet, kan menen dat hij op aarde rechtvaardigheid vestigt. Een dwingeland die zijn eigen burgers het grootste onrecht aandoet, kan beweren dat hij recht laat geschieden. Een ander kan, in de waan dat hij het algemeen belang dient, allerlei verderf aanrichten. Wie dag en nacht op list en komplot uit is, kan over goede bedoelingen spreken, en wie de orde ondermijnt en mensen hun rust ontneemt, kan zeggen dat hij op herstel uit is.

Zulke mensen, die onder het plegen van allerlei wandaden de mond vol hebben van waarheid en recht, rechtvaardigheid en vrijheid, vervallen in dezelfde verschrikkelijke dwaling als de kerkelijke autoriteiten en de inquisitie, die in naam van de bescherming van de godsdienst mensen onrecht aandeden, hen van ketterij beschuldigden en excommuniceerden, en hen zelfs tot foltering en de dood veroordeelden. Terwijl zij menen de waarheid te dienen, staat het water van de dwaling hun tot aan de lippen, en zij merken het niet.

De Koran wijst op dit soort zelfbedrog: اَلَّذِينَ ضَلَّ سَعْيُهُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَهُمْ يَحْسَبُونَ أَنَّهُمْ يُحْسِنُونَ صُنْعًا “Degenen, wier inspanningen gericht zijn op het leven van deze wereld, terwijl zij zelf denken dat zij goed werk verrichten…”10 Toen al-Zubayr ibn al-ʿAwwām hoorde dat ʿUthmān (God zij tevreden over hen) de marteldood was gestorven, reciteerde hij volgens een overlevering dit vers over diens bloeddorstige moordenaars. Zo maakte hij duidelijk hoe ernstig die misdaad was. Werkelijk, een van de grootste vormen van zelfbedrog is dat een mens, terwijl hij het valse najaagt, meent het ware te dienen, en terwijl hij kwaad doet, meent iets goeds tot stand te brengen.

Voor zulke ongelukkigen, wiens maat is zoekgeraakt, die goed en kwaad door elkaar halen en het kwaad dat zij doen voor goed houden, is terugkeren van hun dwaling ook niet eenvoudig. Want wie een daad begaat terwijl hij weet dat ze verkeerd is, kan, hoe groot zijn fout ook is, op een dag spijt krijgen en ervan afzien. Maar wie het verkeerde voor juist en het kwade voor goed is gaan houden, keert veel moeilijker terug. Zo iemand is als een zieke die zich gezond waant. Zolang een mens zijn ziekte niet erkent, voelt hij geen behoefte aan behandeling en zoekt hij geen weg naar genezing.

De allersluwste list

Terwijl de Satan onophoudelijk bezig is de mens van de weg te brengen, laat hij hem meestal ook zijn eigen bestaan vergeten. Zelfs ontkennen. Want wie de listen en valkuilen van de Satan kent, blijft voortdurend op zijn hoede en zoekt bij het slapengaan en bij het opstaan met zijn gebeden zijn toevlucht bij God tegen zijn kwaad. En God laat wie hun godsvertrouwen op Hem stellen niet alleen; Hij neemt hun zaak op Zich. Tegenover een mens wiens zaak God op Zich heeft genomen, lopen alle listen en valkuilen van de Satan op niets uit. Maar wie met het bestaan en de vijandschap van de Satan helemaal geen rekening houdt, is al bij voorbaat in een van zijn sluwste listen gelopen. Zo iemand staat, zonder het te merken, weerloos tegenover zijn influisteringen, zijn suggesties en zijn valkuilen.

Sommige mensen die niet in God geloven en ook het bestaan van de Satan ontkennen, kunnen op den duur zover komen dat ze alles wat met godsdienst en geloof te maken heeft hinderlijk ervaren. De dienstbaarheid aan het geloof en de Koran kan hen haast buiten zinnen brengen; tegen wie zich daarvoor inzetten, kunnen zij in stilte een diepe wrok koesteren en hen als vijand zien. En menen zij bovendien dat die dienstbaarheid in de toekomst vrucht zal dragen, brede lagen van de bevolking zal bereiken en de mensheid veel goeds en schoons zal brengen, dan kunnen zij zich aaneensluiten en er een meedogenloze strijd tegen ontketenen.

In de tijd van Bediüzzaman bijvoorbeeld leefden er veel aanzienlijke geleerden en soefimeesters. Toch kozen de onrechtplegers die bij de Satan in de leer waren gegaan ervoor zich op Bediüzzaman te richten, die toen hij nog maar een handjevol leerlingen om zich heen had, en zij hebben hem zijn leven lang geen moment rust gegund. Niet omdat zij over een buitengewone gave van doorzicht of scherpzinnigheid beschikten. Misschien hebben hun fijne gevoel en hun intuïtie hen tot op zekere hoogte doen beseffen welke mogelijkheden deze man voor de toekomst in zich droeg, maar wij mogen niet vergeten dat daaronder ook de invloed van de suggesties en influisteringen van de Satan schuilging. De Satan had hun blik van anderen afgewend en juist gericht op Bediüzzaman en zijn dienstbaarheid aan het geloof, en hun in het oor gefluisterd dat zijn roeping voor hen een grote bedreiging en een groot gevaar zou worden. Dat gefluister tekent het vers zo: “De satans fluisteren hun eigen trawanten in, opdat die met jullie de strijd aangaan.”11

De voornaamste manier om je tegen deze hierboven beschreven listen van de Satan te beschermen, is dat de mens het bewustzijn van zijn dienaarschap nooit verliest, zijn band met God sterk houdt en zo vaste grond onder de voeten houdt. Zo werd ook de Trots der Mensheid ﷺ, op zijn hemelreis, de miʿrāj, toen hij tot de hemelen opsteeg, tot een verheven plaats die geen mens en zelfs geen engel ooit bereikte, met het woord سُبْحَانَ الَّذِي أَسْرَىٰ بِعَبْدِهِ12 aangeduid als “dienaar van God”. Er is dus geen hogere rang dan het dienaarschap. Daarom moet de mens de successen en al het schone en goede waarmee hij begenadigd is niet aan zichzelf toeschrijven, en zichzelf niet zien als eigenaar van Gods gaven. Laat hij nooit uit het oog verliezen dat alle gaven van deze wereld vergankelijk zijn. Hoe groot de dienstbaarheid die hij tot stand brengt ook mag zijn, hij moet die niet als zijn bezit beschouwen en zich er niet op beroemen. De grootheid van een mens ligt niet in aanzien en de waardigheden die hij zichzelf toekent, maar in zijn vermogen om zich in dienaarschap te verdiepen en zichzelf tegenover God weg te cijferen.

Voetnoten
  1. 1Koran 47:25. ↩
  2. 2Koran 27:24. ↩
  3. 3Koran 14:22. ↩
  4. 4Koran 34:21. ↩
  5. 5Koran 3:14. ↩
  6. 6Koran 20:120. ↩
  7. 7Zie Koran 2:36, waar Adams misstap wordt aangeduid als zallah. Bij een profeet gaat het daarbij niet om een zonde, maar om een vergissing te goeder trouw, zonder onzuivere intentie of afbreuk aan zijn profetische status. ↩
  8. 8In het Arabisch staat er steeds hetzelfde woord, nafs, telkens met een ander bijvoeglijk naamwoord: respectievelijk al-nafs al-ammārah (Koran 12:53), al-nafs al-lawwāmah (75:2), al-nafs al-muṭmaʾinnah (89:27), al-nafs al-rāḍiyah en al-nafs al-marḍiyyah (89:28), al-nafs al-ṣāfiyah en al-nafs al-zakiyyah. ↩
  9. 9Koran 28:78. ↩
  10. 10Koran 18:104. ↩
  11. 11Koran 6:121. ↩
  12. 12Koran 17:1. ↩
Eerste publicatie 12 oktober 2026