Naar inhoud
← Alle artikelen

Islam als Levenskunst

Karakter

· Fethullah Gülen · 6 min leestijd

Deze vertaling staat al online terwijl ons redactieteam er nog aan werkt. De tekst kan op details nog veranderen.
Miniatuur van een volgroeide symmetrische anjerplant, voor het gevormde karakter, op diepgroen met goudrank

Akhlāq1 is het meervoud van khuluq en omvat betekenissen als karakter, aard, inborst, grootheid van geest, de gezindheid om het kwade te vermijden, en het bewustzijn dat men begenadigd is met aḥsan al-taqwīm (de allermooiste gestalte), en het handelen vanuit dat besef. Waar het woord khalq verwijst naar de fysieke, materiële kant van de mens, duidt khuluq op de geestelijke en innerlijke dimensie, of anders gezegd: op het streven en de inzet om, in overeenstemming met de volmaaktheid waarmee men geschapen is, te leven naar de wensen en geboden van de Schepper.2

De geleerden hebben goede karaktereigenschappen en deugdzaam gedrag aangeduid als voortreffelijk karakter (akhlāq ḥasanah), de schoonheid van karakter (maḥāsin al-akhlāq) en prijzenswaardig karakter (akhlāq ḥamīdah). Slechte eigenschappen, negatief gedrag en een houding die niet past bij de mens die in de allermooiste gestalte geschapen is, hebben zij benoemd als gebreken van karakter (masāwī al-akhlāq), verdorvenheid van aard (sūʾ al-khuluq), laakbaar karakter (akhlāq dhamīmah) en verwerpelijk karakter (akhlāq sayyiʾah).

Sommige onderzoekers hebben binnen gedragingen en houdingen het positieve ervan aangeduid als adab (goede manieren) en het tegenovergestelde als sūʾ al-adab (slechte manieren), en hebben van daaruit hun denken rond dit begrip verder uitgewerkt.

ʿAlī (moge God tevreden met hem zijn) verwoordt goed karakter als اِجْتِنَابُ المَحَارِمِ وَطَلَبُ الحَلَالِ وَالتَّوْسِعَةُ عَلَى العِيَالِ “huiveren voor alles wat God verboden heeft, het toegestane nastreven, en goed zorgen voor je gezin.”3

ʿIkrimah (moge God tevreden met hem zijn) vergelijkt het met het fundament van een gebouw لِكُلِّ شَىْءٍ أَسَاسٌ وَأَسَاسُُ اْلإِسْلَامِ الْخُلُقُ الْحَسَنُ “Alles rust op een fundament. Het fundament van de Islam is goed karakter.”4

Ḥasan al-Baṣrī, de grote imam van de generatie na de metgezellen (tābiʿūn), omschrijft goed karakter als het tonen van een open, vriendelijke houding en het anderen geen leed aandoen.5

Yaḥyā Ibn Muʿādh, een van de grote gestalten uit latere perioden van de Islam, drukt het als volgt uit: “Slecht karakter is zo verderfelijk dat veel goeds erdoor vruchteloos wordt. Goed karakter is zo zegenrijk dat veel fouten erdoor geen blijvende schade aanrichten.”6

Zolang de mensheid bestaat is karakter vrijwel altijd een centraal thema geweest en is het genoemd als een wezenlijk aspect van het doel waarvoor de mens geschapen is. Deugden als moed, dapperheid, edelmoedigheid, kuisheid, onschuld, rechtschapenheid, trouw, rechtvaardigheid, eerlijkheid, loyaliteit en īthār (de bereidheid anderen boven zichzelf te stellen) zijn zelfs in de donkerste tijden van de geschiedenis door gewetensvolle mensen gekoesterd en hebben nooit geheel kunnen worden uitgewist.

Het laagste der lagen en het hoogste der hoogten

De mens is geschapen in de allermooiste gestalte: aḥsan al-taqwīm, de allermooiste gestalte, vorm, betekenis en inhoud. Hij is een stralende spiegel die als het ware een register vormt van alle goddelijke namen en eigenschappen. Zo’n spiegel verduisteren met slecht karakter is een uiting van het tekortdoen aan de gave van de allermooiste gestalte, en van gebrek aan eerbied voor de positie die de mens bij God (verheven is Zijn majesteit) inneemt. De mens is door zijn rang kandidaat om tot een engel te worden: soms heeft hij door zijn verfijning en fijngevoeligheid de engelen jaloers gemaakt, en soms heeft hij door grofheid en onbeschaamdheid zelfs duivels doen terugdeinzen van afschuw. Over de laatsten zegt de Koran أُولَئِكَ كَاْلأَنْعَامِ بَلْ هُمْ أَضَلُ “Zij zijn als vee; sterker nog, in het niet kennen van weg noch spoor staan zij nóg lager.” 7 Zo heeft de Koran hen afgeschreven die het doel van hun schepping niet kennen.

De mens bevindt zich naar zijn aard in een positie van eb en vloed tussen asfal al-sāfilīn (de meest ellendige, laagste toestanden) en aʿlā ʿilliyyīn (de meest verheven stations). Zolang hij het ego en de duivel volgt, zich afkeert van geloof en goede daden, zijn band met God (verheven is Zijn majesteit) niet onderhoudt en zichzelf overgeeft aan verstarring, is het zijn lot om naar de diepste diepten af te glijden. Omgekeerd, wanneer hij zijn wilskracht inzet en vleugels krijgt door geloof en daadkracht, stijgt hij naar de hoogste toppen van volmaaktheid. Dat is de vaste handelwijze van God (verheven is Zijn majesteit). Toch kan de mens deze lijn niet altijd vasthouden, want zoals we zojuist aangaven: struikelen en fouten maken behoren tot de menselijke natuur. De Trots der Mensheid ﷺ wijst ons hierop met de woorden: “Adam vergiste zich, en zijn nakomelingen vergisten zich; Adam vergat, en zijn nakomelingen vergaten.”8 Bij Adam (vrede zij met hem) was zo’n misstap echter een zallah in de aard van een interpretatiefout. Wanneer wij, God behoede ons, in een dergelijke toestand vervallen, is dat geen zallah; het is eerder een innerlijke breuk, een ontwrichting. Indien de mens zich niet tot God wendt, zijn band met Hem niet onderhoudt en zijn leven niet veiligstelt binnen de stevige omheiningen van de Koran en de Sunnah, raakt hij blootgesteld aan een opeenstapeling van breuken en kan hij, God behoede ons, niet ontkomen aan de verlammende greep van de begeerten van het ego (hawā al-nafs).

Tegenover zo’n ineenstorting en ontbinding dient de mens, vanuit het besef dat geloof voortdurend vernieuwd en verdiept moet worden, zich onophoudelijk tot God (verheven is Zijn majesteit) te wenden en zijn toevlucht bij Hem te zoeken met zekerheid, inzicht, liefde en vurig verlangen (yaqīn, ʿirfān, ʿishq, ishtiyāq). Hij dient zich in kwesties van ḥalāl en ḥarām met de grootste nauwgezetheid te gedragen, en zich dagelijks, minstens een paar keer, te onderwerpen aan muḥāsabah (zelfrekenschap). Hij dient zich volledig af te sluiten voor de aandriften van de kwaadwillende ziel (al-nafs al-ammārah), zich stevig vast te klampen aan oprechtheid (ikhlāṣ) en het besef dat God hem ziet (iḥsān), en met het verlangen God (verheven is Zijn majesteit) te ontmoeten in zijn hart wakker te blijven, zodat hij te allen tijde rechtop kan blijven staan tegenover mogelijke tegenslagen. Dit alles vormt de essentie van het goddelijke karakter zoals dat is uiteengezet in de Koran en de Sunnah.

De islamitische ethiek (akhlāq), gevormd door deze krachten, is geenszins een theoretische massa-ethiek of klasse-ethiek gebaseerd op beperkte observaties, zoals sommige pedagogen en psychologen menen. Integendeel: het is een volgroeid ethisch systeem dat het menselijk leven in al zijn facetten vormgeeft, het kwade uit de geest verwijdert en daarvoor verheven eigenschappen in de plaats stelt, en zo de mens naar een rang brengt die zelfs boven die van de engelen uitstijgt.

Voetnoten
  1. 1Akhlāq is een veelzijdig woord dat door de auteur ruim driehonderd keer gebruikt wordt in dit boek. Deze vertaling geeft het meestal weer met karakter. Laat het woord een andere kant zien, dan staat er iets anders: ethiek voor het geheel, moreel als bijvoeglijk naamwoord, karaktertrek voor één eigenschap. ↩
  2. 2Khalq en khuluq delen dezelfde Arabische wortel خ-ل-ق, “scheppen”. Het eerste duidt op de vorm waarin de mens geschapen is, het tweede op het karakter dat hij vanuit die schepping ontwikkelt. ↩
  3. 3Al-Ghazālī, Iḥyāʾ ʿulūm al-dīn, 3/53. ↩
  4. 4Al-Ghazālī, Iḥyāʾ ʿulūm al-dīn, 3/53; Ibn al-Jawzī, Ṣifat al-ṣafwah, 2/104; Ibn Kathīr, al-Bidāyah wa-l-nihāyah, 3/95. ↩
  5. 5Al-Ghazālī, Iḥyāʾ ʿulūm al-dīn, 3/53. ↩
  6. 6Al-Ghazālī, Iḥyāʾ ʿulūm al-dīn, 3/52. ↩
  7. 7Koran 7:179. ↩
  8. 8Al-Tirmidhī, Tafsīr al-Qurʾān (soera 7), 3; Abū Yaʿlā, al-Musnad, 11/263–264, 12/8–9; Ibn Ḥibbān, al-Ṣaḥīḥ, 14/41. ↩