Vraag: Hoe kijkt de islam naar de kwestie van milieubescherming? Zijn er in de Koran en Sunnah grondbeginselen te vinden die hiervoor als fundament kunnen dienen?
Antwoord: Met het aanbreken van het industriële tijdperk begon het milieu vervuild te raken. Enerzijds raakten water, lucht en bodem verontreinigd door fabrieksafval, anderzijds werden natuurlijke bronnen achteloos gebruikt en onverantwoord verspild. Hoewel technologische ontwikkelingen de mensheid veel voordelen brachten, brachten ze ook bepaalde nadelen met zich mee, zoals milieuverontreiniging. De mensheid heeft door haar eigen toedoen het evenwicht op het land en in de zeeën verstoord.1 Toen de schade van de aangetaste natuur de mens zelf begon te raken, besefte hij dat hij fout had gehandeld. Mede dankzij mensen met bijzondere gevoeligheid voor het milieu ontstonden bewegingen die zich de bescherming ervan ten doel stelden. Wetenschappelijk onderzoek toonde aan dat alle wezens in de natuur nauw met elkaar verbonden zijn, en het vitale belang van het ecosysteem voor al wat leeft werd beter begrepen. Dit besef heeft in grote mate bijgedragen aan het ontstaan van milieubewustzijn.
De activiteiten die onder de noemer ‘milieubescherming’ worden ontplooid, zijn over het algemeen gericht op het herstellen van het verloren natuurlijke evenwicht, het voorkomen van vervuiling en het herstellen van de schade en verwoesting die tot nu toe is aangericht. Als zodanig verdienen zij alle waardering en steun. Tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat de kwestie hier en daar een ideologisch en politiek karakter heeft gekregen. Sommigen kunnen milieuthema’s misbruiken om het huidige bewind dwars te zitten of om bepaalde politieke doelen te bereiken.
Hoewel er in sommige werken uiteenzettingen te vinden zijn over het belang van het milieu en de bescherming ervan, ken ik in de islamitische geschiedenis geen uitgebreide en gedetailleerde zelfstandige studies over dit onderwerp. De mensen van destijds hadden immers geen probleem dat ‘milieuverontreiniging’ heette. Nadat de milieukwestie de wereldwijde publieke opinie begon bezig te houden, hebben ook moslims, op basis van de Koran en de Sunnah, literatuur voortgebracht die dit vraagstuk vanuit religieus perspectief belichten. Wijlen prof. Ibrahim Canan heeft op dit gebied een werk geschreven getiteld Milieu-ethiek in het licht van verzen en overleveringen.2 Het is aannemelijk dat er in de toekomst nieuwe werken zullen verschijnen die de islamitische kijk op het milieu op diepgaande en omvattende wijze behandelen.
Rentmeesterschap, evenwicht en verantwoordelijkheid
De milieukwestie houdt rechtstreeks verband met de positie van de mens op aarde. God heeft de mens geschapen als Zijn plaatsvervanger (khalīfa) op aarde en hem het recht gegeven om in te grijpen in de schepping. Uit het begrip plaatsvervanger vloeit voort dat de mens verplicht is te handelen binnen het kader van Gods geboden. Hij mag dus alleen namens God ingrijpen in de schepping, niet op persoonlijke titel. Zoals het bestaan van de mens niet uit hemzelf voortkomt, zo is ook datgene waarin hij ingrijpt niet zijn eigendom.
Vanuit dit perspectief kan de mens binnen de schepping niet doen en laten wat hij wil. Hij mag de orde en het evenwicht dat God op aarde en in het universum heeft gevestigd niet verstoren. Zijn taak is de dingen te gebruiken in overeenstemming met het scheppingsdoel. Zoals hij de geboden van de openbaring (al-awāmir al-tashrīʿiyyah) dient te volgen, zo moet hij ook de geboden van de schepping (al-awāmir al-takwīniyyah) juist begrijpen en handelen in overeenstemming met de wijze waarop en het doel waarvoor God ze heeft ingesteld. Bovendien dient hij de aangetaste aspecten van de natuur te herstellen in overeenstemming met hun oorspronkelijke staat.
God heeft alles geschapen in een orde en evenwicht die volmaakt functioneren. De aarde is met haar schoonheid als een voorportaal van het paradijs. De Koran houdt ons in verschillende verzen deze schoonheden voor en vraagt ons erover na te denken. Maar om de pracht en schoonheid in de schepping ten volle te kunnen bevatten, moet men ernaar kunnen kijken met een holistische blik. Wie daartoe in staat is, wordt bij het aanschouwen van de natuur vervuld van grote verwondering en bewondering; het hoofd duizelt hem bij het zien van de weergaloze schoonheid in de schepping. Die verwondering klinkt door in de woorden waarmee Bediüzzaman in zijn Yıldızname de schoonheid van de hemellichten beschrijft.3
Wie deze orde, harmonie en dit evenwicht in de schepping kan waarnemen, zal er veel zorgvuldiger mee omgaan en ervoor waken het te verstoren. Hij zal bedenken dat ingrijpen in het ecosysteem en in de natuurlijke aanleg (fiṭra) grote schade kan toebrengen aan de mensheid en zelfs de toekomst van de wereld kan verduisteren, en ernaar streven alles in zijn natuurlijke samenhang te beschermen. De mens die weet dat alles wat God geschapen en geordend heeft ideaal is, zal ook de wereld die hij zelf opbouwt naar deze goddelijke maatstaven vormgeven.
Het is van groot belang mensen een dergelijk bewustzijn bij te brengen, zodat zij het milieu niet vervuilen en de natuur niet aantasten. Dit van meet af aan te doen is het gemakkelijkst en het beste. Maar wanneer de atmosfeer, het water, de bodem en wat daaruit voortkomt eenmaal zijn vervuild, is het veel moeilijker om ze in hun oorspronkelijke staat terug te brengen. We zien tegenwoordig hoeveel inspanning en kapitaal er wordt besteed om vervuilde rivieren weer terug naar hun oorspronkelijke staat te herstellen. Evenzo is het terugwinnen van verdwenen bossen allesbehalve eenvoudig. Het reinigen van vervuilde zeeën, oceanen, lucht en bodem is in vergelijking daarmee nog veel moeilijker – soms zelfs volstrekt onmogelijk.
De aarde als afspiegeling van het paradijs
Vanuit het perspectief van een gelovige is de gehele schepping niets anders dan de manifestatie van Gods namen en eigenschappen. Wanneer hij het evenwicht in de schepping bewaart, is dat dus een uitdrukking van zijn eerbied voor God, voor de goddelijke namen (asmāʾ) en de verheven eigenschappen (ṣifāt). Een gelovige die met deze blik naar de schepping kijkt, benadert elk wezen – levend of niet-levend – met diepe eerbied en liefde. Omdat hij elk schepsel ziet als een boek geschreven met de pen van Gods macht, voelt hij een oprechte betrokkenheid bij alles. Laat staan dat hij de natuur zou verwoesten – hij waakt ervoor zelfs maar een mier te kwetsen; hij ontneemt geen enkel levend wezen het levensrecht, tenzij het echt niet anders kan.
De beschrijvingen van het paradijs in de Koran geven ons aanwijzingen over hoe we een ideale wereld kunnen creëren. Ze zeggen als het ware “Richt jullie wereld zo in”, en wekken het verlangen een wereld te bouwen die lijkt op het paradijs. Voor een gelovige staat buiten kijf dat het paradijs een volmaakte plaats is die alle utopieën overtreft. Wanneer we kijken naar de beschrijvingen van het paradijs in Koran en Sunnah, zien we dat de wateren, rivieren, watervallen, herenhuizen, paleizen, bomen, schaduwrijke plekken en talrijke vruchten aldaar van duizelingwekkende schoonheid zijn. Onze taak is dus om, naar het voorbeeld van het paradijs, onze wereld te verfraaien, haar tot een benijdenswaardige plek te maken die op het paradijs lijkt, en aan toekomstige generaties een smetteloze wereld na te laten.
Met het vers وَأُتُوا بِهِ مُتَشَابِهًا “het wordt hen gegeven in gelijkenis (met wat hen voorheen, tijdens hun leven op aarde werd gegeven, in dezelfde vorm en kleur, zodat ze het herkennen)”4 vestigt de Koran de aandacht op de gelijkenis tussen de genietingen van het paradijs en die van de aarde. De genietingen van deze wereld zijn dus voorbeelden van wat ons in het paradijs te wachten staat. Wanneer we het aardoppervlak vervuilen en haar tot een onleefbare plek maken, heffen we ook deze gelijkenis op. Dan hebben aarde en paradijs niets meer met elkaar gemeen. Hoe meer deze mooie tentoonstelling, waar de voorbeelden worden geëtaleerd, verandert in een broeinest van vervuiling, hoe verder zij zich verwijdert van haar gelijkenis met het paradijs.
Ook de islamitische opvatting over verspilling en zuinigheid is een van de grondbeginselen die onze verhouding tot de schepping vormgeven. Zoals bekend verklaart de Koran dat God de verkwisters niet liefheeft (Koran 6:141), terwijl de Boodschapper van God ﷺ heeft bevolen om zelfs bij het verrichten van de rituele wassing aan de oever van een rivier verspilling van water te vermijden.5 Dit gebod van de Profeet ﷺ zet ertoe aan om zuinigheid tot een karaktereigenschap te maken en te behouden. Wie zuinigheid tot karaktereigenschap heeft gemaakt, toont dezelfde zorgvuldigheid op elk terrein van zijn leven. Deze karaktereigenschap weerspiegelt zich in alles: van zijn eet- en drinkgewoonten tot de wijze waarop hij gebruik maakt van tuinen en boomgaarden, van de manier waarop hij natuurlijke bronnen benut tot de wijze waarop hij de talenten en vermogens die hem zijn gegeven aanwendt. Aangezien verspilling in alle opzichten verboden is, is de gelovige zuinig, zowel in zijn persoonlijke uitgaven als in het gebruik van natuurlijke bronnen.
Zuiverheid en reinheid
Uit de aanbevelingen en praktijken van de Godsgezant ﷺ kunnen uiterst belangrijke beginselen en principes worden afgeleid met betrekking tot de bescherming van het milieu en het ecosysteem. Het uitroepen van de heilige gebieden rond Mekka en Medina tot beschermd gebied, en het verbod om daar gras en bomen te kappen of dieren te doden, is in dit opzicht opmerkelijk.6 Met dit verbod heeft de Geliefde Profeet een uitgestrekt gebied onder bescherming gesteld en een voorbeeldig reservaat gecreëerd.
Hoe veelzeggend is het dat toen de metgezellen tijdens een reis tevergeefs probeerden een slang te doden die zij tegenkwamen, de Profeet zich tot hen wendde en zei: “Hij is ontkomen aan jullie kwaad, en jullie zijn ontkomen aan zijn kwaad.”7 Met één enkele zin gaf hij een diepgaande les in gevoeligheid jegens het milieu en alle levende wezens.
Evenzo paste hij zijn route aan toen hij op weg naar de verovering van Mekka zag dat vogels hun nesten hadden gebouwd langs de route, opdat het leger hen niet zou verstoren. Toen een metgezel de kuikens uit een vogelnest haalde, berispte hij hem eerst en beval hem vervolgens om ze terug te leggen.8
Daarnaast heeft de Geliefde Profeet ﷺ met nadruk gewezen op het belang van reinheid. In een overlevering zegt hij: “Reinheid is de helft van het geloof”9 en vestigt zo de aandacht op het belang van dit onderwerp. Hij verbood het urineren in de schaduw van bomen en bij waterbronnen, en droeg op om voorwerpen die mensen op wegen hinderen te verwijderen, waarbij hij aangaf dat dit een van de takken van het geloof is.
Zoals God met de manifestatie van Zijn naam al-Quddūs (de Heilige, de Zuivere) voortdurend een reiniging in het universum verricht, zo dient ook de mens de omgeving waarin hij leeft rein te houden. Ondanks alle veranderingen en transformaties in de natuur heerst er zuiverheid en reinheid; evenzo is het een vereiste van het geloof dat de mens deze zuiverheid en reinheid bewaart overal waar zijn hand reikt. Het is ondenkbaar dat een moslim zich onevenwichtig, wanordelijk en disharmonisch zou gedragen.
Wanneer we kijken naar de beginselen in de Koran en Sunnah met betrekking tot milieubescherming, zou er in moslimgemeenschappen op dit gebied geen probleem mogen bestaan. Helaas zijn wij, als jongelingen verliefd op Mehlika Sultan,10 achter de moderniteit en postmoderniteit aan gerend en daarbij vervreemd geraakt van onze eigen waarden. Sinds de Tanzimat-periode reizen en zwerven we, over berg en dal, maar zijn we geen steek verder gekomen. Het resultaat is dat de problemen van de moderne wereld zich nu evenzeer in onze samenlevingen voordoen.
Hopelijk keren we in het vervolg terug naar onze eigen waarden en kunnen we de wereld op basis van deze waarden nieuw leven inblazen en opbouwen.
- Koran 30:41 ↩︎
- Ibrahim Canan, Âyet ve Hadislerin Işığında Çevre Ahlâkı, Istanbul: Yeni Akademi Yayınları, 2005. (Eerste druk: Cihan Yayınları, 1995.) ↩︎
- Bediüzzaman Said Nursi, Sözler (De Woorden), “Het Tweeëndertigste Woord”, Risale-i Nur Collectie. ↩︎
- Koran 2:25 ↩︎
- Zie: Ibn Māja, ṭahāra 45; Aḥmad ibn Ḥanbal, al-Musnad 2/221 ↩︎
- Bukhārī, ḥajj 43; Muslim, imāra 85 ↩︎
- Bukhārī, ṣayd 7; Muslim, salām 137 ↩︎
- Abū Dāwūd, adab 163; Aḥmad ibn Ḥanbal, al-Musnad 1/404 ↩︎
- Muslim, ṭahāra 1; Tirmidhī, daʿawāt 86 ↩︎
- Verwijzing naar het gedicht Mehlika Sultan’a Âşık Yedi Genç (De zeven jongelingen verliefd op Mehlika Sultan) van Yahya Kemal Beyatlı (1884-1958). Symbool voor een ongrijpbaar ideaal waarin men zichzelf verliest. ↩︎
