De mens is Gods plaatsvervanger op aarde, het meest geliefde onder al het geschapene. Wij vormen de kern van de schepping, de weerspiegeling van onze Schepper. Aan ons is zowel het vermogen gegeven als de taak toevertrouwd om de diepste geheimen in het wezen van het universum te ontdekken en de verborgen kracht en potentie die in het hart van de wereld besloten liggen, te helpen ontvouwen.
Als bewuste dragers van goddelijke eigenschappen zoals kennis, wil en macht zijn wij in staat alles in het bestaan op een passende en zinvolle manier aan te wenden. In die hoedanigheid stuiten we niet op obstakels die ons te boven gaan, noch raken we uit evenwicht in onze omgang met de werkelijkheid. We bewegen met vertrouwen door de loop van de gebeurtenissen, geworteld in het besef van onze opdracht. Wat in ons verborgen ligt, krijgt de ruimte om tot wasdom te komen. Wij werken toe naar het doel waarvoor wij geschapen zijn, zonder dat onverwachte belemmeringen ons de pas afsnijden.
Een goddelijke opdracht
De prestaties van de mensheid laten zien dat wij met bijzondere gaven in dit leven zijn geplaatst. Ondanks onze tekortkomingen is het duidelijk dat we, kijkend naar de vooruitgang die we hebben geboekt, in staat zijn gebleken om talloze hindernissen te overwinnen. Fouten en vergissingen ten spijt, blijven we in staat om resultaten neer te zetten. Door onze wilskracht ten volle te benutten, hebben we het bestaan opnieuw vormgegeven en bijgedragen aan de ontwikkeling van deze wereld. Daarmee, of we het ons nu bewust zijn of niet, weerspiegelen wij de goddelijke aankondiging: “Ik zal op aarde een plaatsvervanger aanstellen.”
De engelen vreesden dat de mens zijn macht zou misbruiken en verderf zou zaaien, en soms bleek die vrees terecht. Maar ondanks al het voorbijgaande kwaad zijn er altijd rechtschapen mensen geweest die het goede hebben gediend. Zij hebben recht gedaan aan het vertrouwen dat God de mens heeft geschonken. Het zegel van het rentmeesterschap is dus niet helemaal verzuimd.
Een gelovige die de diepere samenhang van de schepping begrijpt, weet dat hij of zij niet zonder reden in deze wereld is geplaatst. Deze opdracht vraagt om een houding die past bij het morele gewicht van ons bestaan. Denken, geloven en handelen moeten in verhouding staan tot de taak die ons is gegeven. De Koran maakt dit keer op keer duidelijk. God zegt: “Ik heb de djinn en de mens slechts geschapen opdat zij Mij zouden kennen en dienen.” Dat is de essentie van onze rol als plaatsvervanger op aarde: we zijn geschapen met een doel, en de enige passende reactie is dankbaarheid, zichtbaar in hoe we omgaan met wat ons is toevertrouwd.
Dienstbaarheid als levenshouding
Dienaarschap betekent, in de ruimste zin, leven in harmonie met alles wat bestaat. Wie dienstbaar is, beweegt ongehinderd door de mysterieuze gangen van het bestaan, zonder onderweg ergens te struikelen of vast te lopen. De mens bevindt zich op het snijpunt van natuurwetten en goddelijke geboden; precies dáár krijgt dienaarschap betekenis als het bewaren van evenwicht tussen onze innerlijke wereld en de werkelijkheid om ons heen. Zolang die harmonie en dat evenwicht niet bereikt zijn, is het in wezen voor de mens niet mogelijk zijn weg voort te zetten met achting voor en bewaring van de menselijke waarden.
“De mens bevindt zich op het snijpunt van natuurwetten en goddelijke geboden…”
De mens leeft in harmonie met zijn omgeving wanneer hij leeft volgens het doel waarvoor hij is geschapen. Wie deze verantwoordelijkheid verwaarloost – zelfs gedeeltelijk – raakt het spoor bijster en komt steeds weer in botsing met de gang van zaken. Door deze doelloosheid kan hij van de wereld, hem gegeven als huis en paleis, een onleefbare plek maken, een aardse hel. Nu al zijn er velen die vrezen dat onze wereld zich precies in die richting beweegt.
Alleen Hij, die het universum heeft ingericht als een open boek en een levendige tentoonstelling voor de mens, weet hoe de wetten van de natuur en de vrije wil van de mens samenhangen. De morele richtlijnen die Hij heeft geopenbaard, ontsluiten de diepere geheimen van de schepping en stellen ons in staat in harmonie met de werkelijkheid te leven. Alleen door deze richtlijnen te volgen kunnen we ons werkelijk thuis voelen in de wereld, zonder in conflict te komen met de wetten van het bestaan of verloren te raken in zinloosheid. Maar wie zich van de Schepper en Zijn geboden afwendt, raakt verstrikt in een vicieuze cirkel van vervreemding en voortdurende botsingen met de wereld om hem heen – een toestand waarin geen werkelijke voorspoed mogelijk is.
Het werk van de mens als plaatsvervanger van de Schepper strekt zich uit over een buitengewoon breed terrein: van geloven in Hem en Hem aanbidden tot het doorgronden van de geheimen van de dingen en de gebeurtenissen, en verder tot het ingrijpen in de natuur. Een echt mens brengt zijn leven lang in de eerste plaats zijn gevoel en zijn denken in overeenstemming met het geloof, en richt zijn persoonlijke en maatschappelijke leven in rond de verschillende vormen van aanbidding; door de manier waarop hij met anderen omgaat, brengt hij gezin en samenleving in evenwicht. Van de diepten van de aarde tot de uitgestrektheid van de hemel laat hij zien waartoe de mens in staat is. Hij spant zich in om te doen wat van een ware plaatsvervanger verwacht wordt en om zijn wilskracht ten volle te benutten; hij spant zich in en draagt bij aan de opbouw van de wereld, en hij bewaart de harmonie tussen het bestaan en de mens. Puttend uit de rijkdommen van hemel en aarde en binnen wat de Schepper gebiedt en toestaat, streeft hij ernaar het leven in kleur, vorm en toon menselijker te maken.
Ware aanbidding en bevrijding
Ware vertegenwoordiging van God – wat in essentie dienaarschap omvat – bevindt zich precies daar waar onze kleinste inspanning samengaat met Zijn grootste genade. De kortste weg naar dat punt noemen we aanbidding. Maar aanbidding bestaat niet, zoals sommigen denken, uit een reeks voorgeschreven handelingen alleen; het omvat een levenshouding van bewust dienaarschap en verantwoordelijkheid. Het is de zuiverste uitdrukking van de relatie tussen de mens, de schepping en God. Aanbidding betekent: jezelf bevrijden van alle andere bindingen, je hart bewust verbinden met God, en in alles Zijn schoonheid, Zijn orde en Zijn harmonie ervaren. Dit is ongetwijfeld de meest directe manier om iedereen en alles in verbinding te brengen met de Waarachtige en die band voortdurend te vernieuwen, zowel in gedachten als in daden.
Wie bewust op dit pad wandelt, twijfelt er niet aan dat zijn enige opdracht is om recht te doen aan de eervolle taak waarmee hij is bekleed. Hij streeft ernaar dit tijdelijke leven bewust en ten volle te leven, en anderen te helpen hetzelfde te doen. Waar hij ook komt, laat hij een spoor achter van inzet en innigheid; zijn gevoelens en gedachten laat hij weerklinken in alles wat hij aanraakt. Met een intentie die reikt tot het oneindige, leeft hij vanuit het besef dat hij voor de eeuwigheid is geschapen – en ervaart zo een diepe, alles overstijgende vreugde die hem zelfs tot aan de poorten van het paradijs kan brengen.
“Aanbidding betekent: jezelf bevrijden van alle andere bindingen…”
Wanneer een mens zijn verantwoordelijkheid – zowel in de natuurlijke als in de morele orde – voorop stelt, en zich meer laat leiden door de essentie en de geest van zijn daden dan door hun resultaten, raakt hij niet ontmoedigd als het anders loopt dan gehoopt. Hij verliest niets van zijn verlangen naar dienaarschap; integendeel, elke dienst die hij verricht wordt tot een diepgevoelde daad van aanbidding. Met dankbaarheid leeft hij in het besef dat hij het toppunt van waarachtig geloof bereikt heeft. Zo iemand vervalt nooit in wanhoop, raakt niet in paniek, en ervaart geen vermoeidheid door de uitdagingen onderweg. Sterker nog: in zijn dienaarschap vindt hij telkens nieuwe kracht en vreugde. Zoals Rumi zei:
“Ik ben slaaf geworden, slaaf geworden, slaaf geworden. Anderen verheugen zich over hun vrijlating, maar ik verheug me juist omdat ik me heb overgegeven.”
De waarde van zijn handelen meet hij niet af aan resultaten, maar aan de oprechtheid en zuiverheid ervan, en aan de mate waarin zijn dienst overeenkomt met Gods welbehagen. Zo vernauwt hij zijn dienaarschap niet door het te verbinden aan aardse beloningen of vergoedingen; hij maakt het goddelijke niet werelds. Integendeel, hij ziet alles wat hij doet in het licht van het oneindige. Hij ervaart in zijn hart, gedachten en gevoelens de ruimte en rust van het dienaarschap. Daardoor valt alle wereldse druk van hem af; hij is werkelijk bevrijd. Maar daar houdt het niet op: doordat hij weet dat hij zich mag toevertrouwen aan een Heer die hem innerlijk niet verplettert en zijn waardigheid niet aantast, vindt hij zijn menselijkheid terug en proeft hij wat ware vrijheid is. Deze houding tegenover wat hem is geschonken, roept hem tot verantwoordelijkheid; de gaven die daarop volgen, zijn een teken van Gods voortdurende genade.
Toewijding en vertrouwen in God
Als de mens werkelijk Gods vertegenwoordiger op aarde is (en ieder mens draagt deze roeping in zich), dan zal hij handelen omwille van God, beginnen voor God, liefhebben vanwege God en ook afstand nemen omwille van God. In alles wat hij onderneemt, beseft hij dat hij namens God handelt. Hij laat zich door succes niet tot eigenwaan verleiden, noch verliest hij zich in wanhoop bij verlies; hij schept niet op over zijn talenten en ontkent niet wat de Waarachtige hem geschonken heeft. Alles beschouwt hij als afkomstig van God, en ieder resultaat ziet hij als een nieuwe kans om zich in vertrouwen tot Hem te wenden. Steeds opnieuw herhaalt hij, in de geest van de dichter Akif:
“Vertrouw op God, span je in, en onderwerp je aan Zijn leiding… Als er een weg is, is het deze; een andere ken ik niet.”
Met blijvende overtuiging, bezieling en een diep gevoel van verantwoordelijkheid leeft hij vanuit zijn opdracht. Hij wordt niet arrogant door overwinningen, noch moedeloos door nederlagen. Of hij nu over vlakke paden wandelt of steile hellingen beklimt, zijn vastberadenheid blijft altijd hetzelfde.
Aan de ene kant zet hij zijn verstand, zijn hart en zijn ziel in om zijn taak als vertegenwoordiger van God op aarde te vervullen – met een toewijding die het denkbare overstijgt. Aan de andere kant vertrouwt hij zich volledig toe aan God voor alles wat buiten zijn controle ligt, blijft hij zoeken naar nieuwe wegen, koestert hij hoop en verlangt hij steeds opnieuw naar Gods nabijheid.
Ziehier een voorbeeld van een ware gelovige en oprechte zoeker naar waarheid! Zovelen kwamen en gingen op dit pad, en de plaatsen die zij passeerden, werden zowaar corridors van het paradijs. Nog altijd zijn er mensen onderweg – op weg naar de dagen die de Waarachtige heeft beloofd. De voorgangers en opvolgers, ieder op dat pad leeft als held van zijn eigen roeping. Wie deze uitverkorenen ook maar gedeeltelijk wil beschouwen, heeft daar al heel wat tijd voor nodig. Als zij en u het goedvinden, bewaren we dit onderwerp voor een andere keer.
Eğer insanoğlu yeryüzünde Allah'ın halifesi, bütün yaratılanlar arasında Hakk'ın gözdesi, topyekün varlığın özü, usâresi ve Yüce Yaratıcı'nın en parlak aynası ise -ki bunun böyle olduğunda şüphe yoktur- onu bu âleme gönderen Zât, kâinatların ruhundaki esrarı keşfetme, dünyanın bağrındaki gizli kuvvet, kudret ve potansiyel imkânları ortaya çıkarma; her şeyi yerli yerinde kullanarak kendisinin ilim, irade, kudret.. gibi sıfatlarına şuurlu bir temsilcisi olma hak, salâhiyet ve kabiliyetini verecektir ki, o, varlığa müdahale ederken ve hilâfet vazifesini yerine getirirken aşamayacağı herhangi bir engelle karşılaşmasın, eşya ile münasebetlerinde çelişkiler yaşamasın, hâdiselerin koridorlarında rahat dolaşabilsin, mâhiyetine dercedilmiş bulunan istidatları inkişâf ettirmede zorlanmasın, ebedlere kadar uzayıp giden arzularını, emellerini gerçekleştirmede beklenmedik mânialara takılmasın.
İnsanoğlunun, bugünkü başarılarıyla ve eserleriyle farklı bir donanım ve imkânlarla dünyaya gönderildiği açıktır. Evet onun, kendisinden kaynaklanan onca münasebetsizliğe rağmen, bugün ulaştığı nokta ve elde ettiği muvaffakiyetlere bakılacak olursa, herhangi bir engele takılmadığı, yaptığı bazı işlerde yanlışlıklara girse de pek çok başarıya imza attığı, iradesinin hakkını yerine getirip varlığı yeniden şekillendirmeye gittiği, dünyayı imar ederek farklı bir konuma getirdiği, bilerek veya bilmeyerek, Cenâb-ı Hakk'ın, "Ben yeryüzünde bir halife yaratacağım..." tebşiriyle anlattığı ve yeni bir vazifeliler kadrosuna işaret buyurduğu semavî ihbarına tam bir ayna olduğu ortadadır.
Gerçi o bazen, meleklerin keşif ve müşahede yoluyla ileri sürdükleri fesat endişesini doğru çıkardığı da olmuştur; ama, böyle kısmî şerlere karşı, onunla gerçekleşen geniş, kalıcı ve Cennet neticeli hayırların sayısı da az değildir. Evet, onun dünyasında nisbî fenalıklara karşı her zaman izafî hayırlar da devam edegelmiştir. İnsanlığın ayları, güneşleri sayılan salih kullar, evliyâ, asfiyâ ve enbiyâ ile, bir kısım kötülüklere, fenalıklara mukabil; hayırlar, güzellikler de her tarafa yayılmış, her yanda yaşanmış ve Allah'ın insana emanet ettiği hilâfet mührünün hakkı, hususiyle de yaratılış gayesinin şuurunda olanlarca kat katıyla edâ edilmiştir. Yaratılış esprisini kavramış bir mü'min, farklı yaratılışıyla mütenâsip farklı düşünce, farklı inanış ve farklı davranış sorumluluğuyla -ki beklenen de odur- bu âleme gönderildiğini anlar ve tavırlarını ona göre ayarlar. Böyle davranması gerektiği insanın zahirî ve batınî donanımından anlaşıldığı gibi, Kur'ân'da onun gerçek kıymetiyle tavırları, davranışları arasındaki münasebetin sık sık vurgulanmasından da anlaşılmaktadır. Yüce Yaratıcı Kur'ân'da: "Ben cinleri ve insanları başka değil, (Beni bilip) Bana kullukta bulunsunlar diye yarattım." diyerek, insan olarak yaratılışın, hilâfete mazhariyetin, farklı donanımın en önemli gâyesini vurgulamaktadır. Böyle bir ilk hatırlatma, hem önceki nimetlere karşı bir umumî sorumluluk ve teşekkür çağrısı hem de hilâfet vazifesinin temel yörüngesini nazara verme adına önemli bir tembihtir.
En şümullü ifadesiyle kulluk da diyebileceğimiz ubudiyet, varlık ve eşya ile hem-âhenk olmanın, dünya ve içindekilerle uyum içinde bulunmanın, kâinatın sırlı koridorlarında yürürken şuraya-buraya takılmadan yol almanın, sözün özü, otağını tekvinî esaslarla teşriî emirlerin birleşik noktasında kurmuş bulunan insanoğlunun, iç âhengiyle varlık arasındaki dengesini korumanın semavî unvanıdır. Esasen bu âhenk ve bu denge sağlanmadan, insanın insanî değerlere saygı içinde ve onları koruyarak yoluna devam etmesi de mümkün değildir.
İnsan, yaratılış gâyesine uygun hareket ettiği ölçüde varlık ve hâdiselerle olan münasebetlerini korumada da başarılı sayılır. Aksine, yaratılış gâyesine uygun davranmayan ya da kısmen dahi olsa sorumluluklarını aksatan, kendi hedefsizliği ve başıboşluğu yanında, kâinatın dönen dolapları, işleyen çarkları karşısında sürekli müsâdemeler yaşar ve bir mânâda kendi evi, kendi sarayı sayılan bu dünyayı içinde yaşanılmayan bir cehenneme çevirebilir. Daha bugünden bazıları, çok yakın bir gelecekte dünyanın, böyle bir cehenneme çevrileceği endişesiyle tir tir titriyorlar..
Şurası da bir gerçek ki, âdi sebepler plânında varlığın tâbi olduğu cebrî kanunlarla, insanın iradî genel davranışları arasındaki uyumu, ancak ve ancak kâinatları bir meşher, bir kitap gibi hazırlayıp insanoğlunun istifadesine sunan Zât bilir. Böyle bir bilgi kaynağından gelen mesajlar çerçevesinde teşriî emirlere uyum, tekvinî esasların esrarına vâkıf olmanın ve onlarla hem-âhenk bulunmanın da biricik yoludur. Evet insan, ancak bu sayede, bütün varlığın bağlı olduğu kanunlarla müsâdemeden ve boşluklar yaşamadan kurtulur ve kendi evinde, kendi sarayında bulunmanın huzurunu duyar. Aksine, insanın Yaratıcı'sından kopması, O'ndan uzaklaşması onu üst üste kopma-uzaklaşma, varlık ve hâdiselerle müsâdemede bulunma fâsit dairesi (kısır döngü) içine çekecektir ki, böyle birinin iflâh olması mümkün değildir.
İnsanın, Yaratıcı'ya halife olma aktivitesi, O'na inanıp ibadet etmeden eşya ve hâdiselerin esrarına vâkıf olmaya, ondan da tabiata müdahale etmeye kadar fevkalâde geniş bir dairede cereyan eder. Hakikî bir insan bütün bir ömür boyu evvelâ, imanıyla duygu ve düşüncelerini plânlar, değişik ibadet çeşitleriyle ferdî ve içtimaî hayatını düzene sokar, genel muameleleriyle aile ve toplum münasebetlerini dengeler ve arzın derinliklerinden semanın enginliklerine kadar her yerde nev'inin bayrağını dalgalandırarak gerçek bir halife olmanın gereklerini yerine getirip iradesinin hakkını edâ etmeye çalışır; çalışır ve yeryüzünü imar eder, varlıkla insanoğlu arasındaki âhengi korur, arz ve semanın zenginliklerini arkasına alarak, Yaradan'ın emri ve izni dairesinde hayatın rengini, şeklini, şivesini daha bir insanî seviyeye getirmeye gayret eder.
İşte, özünde Allah'a kulluk mânâsını da ihtiva eden gerçek hilâfet budur.! Ve bu aynı zamanda en küçük bir cehdle en büyük bir ihsanın birleşik noktasıdır. İnsanı, kestirmeden böyle bir noktaya ulaştıracak hamlenin adı da ibadettir. Bazılarının zannettiği gibi ibadet sadece bir kısım belirli hareketleri yerine getirmekten ibaret değildir; o şümullü bir kulluk ve kapsamlı bir sorumluluğun unvanıdır.. ve hilâfet namıyla, insan-kâinat-Allah münasebetinin en açık, en net ifadesidir. Eğer ibadet insanoğlunun bütün esaretlerden sıyrılarak Allah'a bağlanma şuurunu kalbe yerleştirmesi, varlığın her parçasında O'na ait güzellikleri, O'na ait nizamları, O'na ait âhenkleri görüp, duyup hissetmenin adı ve unvanı ise -ki öyle olduğunda şüphe yoktur- o herkesle ve her şeyle beraber Hakk'a müteveccih olmanın, her şeyi O'na bağlamanın; bağlayıp her an O'nunla nazarî-amelî irtibatlarını yenilemenin en sıhhatli ve en kestirme yoludur. Şuurla böyle bir yolda yürüyen hiç kimse, kendisinin bir memur, vazifesinin de hilâfet gibi bir pâye ile şereflendirilmenin hakkını edâ etmekten ibaret olduğunda tereddüt etmez; etmez ve şu muvakkat dünya hayatını dolu dolu yaşayıp yaşatmaya; köşe-bucak uğradığı her yere, gayret ve samimiyet mürekkebiyle nâmını yazmaya; elinin ve ününün ulaştığı her noktaya duygularını soluklamaya; zamanın, mekânın her parçasını ona bağladığı düşüncelerini nakşetmek suretiyle bütün dünyaları doldurabilecek bir derinliğe ulaşmaya ve sonsuzu peylemeye yetebilecek bir niyet enginliğiyle yaşamaya çalışacak ve böylece, ebediyetlere namzet olmanın huzuruyla kevn ü mekânları aşan, cennetlere ulaşan en derin ruhânî hazlar içinde dolaşacaktır.
Hele bir de bu insan, tekvinî esaslarda ve teşriî emirlerde, vazife ve sorumluluğu öne çıkararak, yaptığı iş ve hizmetlerin sonuçlarına bağlanmaktan daha çok, onların özünü ve ruhunu takip edebiliyorsa, ne neticelerin umduğu gibi çıkmayışı onu inkisara uğratır ne de kulluk iştiyakından ona bir şey kaybettirir; yaptığı her hizmeti derin bir ibadet neşvesi içinde yerine getirir ve var olmanın en üst kademesi sayılan hakikî mü'minler zirvesine ulaşmanın şükrüyle oturur-kalkar; oturur-kalkar ve asla ye'se düşmez, paniğe kapılmaz ve yol mihnetiyle bıkkınlık yaşamaz.. ye'se düşmek, paniğe kapılmak, bıkkınlık yaşamak bir yana o, nefs-i amelin özündeki o derin lezzetlerle daha bir şahlanarak, Mevlânâ edâsıyla: "Kul oldum, kul oldum, kul oldum/Kullar azat olunca sevinir/Ben ise kul olduğum için şâd ve mesrurum" der, iş ve amelin değerini, ona terettüp eden netice ile değil de, doğrudan doğruya yaptığı vazifenin sıhhati, onun hâlisâne edâ edilmesi ve Hak rızasına muvafık düşmesiyle ölçer ve değerlendirir. Böyle davranarak kulluğunun enginliğini, onu ücretlerle, mükâfatlarla irtibatlandırarak daraltmaz, dünyaya ait sonuçlarla, ilâhî ve uhrevî amelleri dünyevîleştirmez; aksine onu, hep sıfırın sonsuza nispeti içinde mütalâa eder ve ruhunda duyduğu bu ölçüdeki bir nispetin genişlendiriciliğiyle yaşar. Duyguları, düşünceleri ve kalbiyle bu genişliği duyup hisseden biri, Hakk'a kul olmanın rahatlığına erer ve değişik baskılardan kurtulur; kurtulmakla kalmaz, vicdanında ezmeyen, zelil kılmayan bir kapının bendesi bulunduğunu duymakla insanlığını kurtarmış ve gerçek hürriyetini elde etmiş olur. Onun ilk cebrî lütufları değerlendirmesi istikametinde böyle davranması bir vazife, Allah'ın değişik dalga boyundaki lütuflarını devam ettirmesi ise ikinci bir ihsandır.
Eğer insan, yeryüzünde Allah'ın halifesi ise -potansiyel olarak insanoğlu bu mazhariyetin biricik namzetidir- o, Allah için işleyecek, Allah için başlayacak, Allah için küsecek, Allah için sevecek, O'nun izni dairesinde varlığa müdahale edecek ve ele aldığı her işi O'na niyâbet mülâhazasıyla yerine getirecektir. Dolayısıyla da, ne başarılarıyla gururlanacak, ne yenilgileriyle ümitsizliğe düşecek, ne kabiliyetleriyle övünecek ne de üzerindeki Hak mevhibelerini inkâr edecek; her şeyi O'ndan bilecek ve gördüğü işleri birer istihdam sayarak, her yeni başarısıyla güven yenilemesi mânâsında yeniden bir kere daha Rabb'ine yönelerek itimat ve vefasını haykıracak ve günde birkaç defa Âkifçe ifadesiyle kendi kendine: "Allah'a dayan, sa'ye sarıl, tevfike râm ol.../Yol varsa budur, bilmiyorum başka çıkar yol." sözleriyle nefes alıp verecektir. Sürekli gerilimde, her zaman azimli, daima şevk içinde, hep vazife şuuruyla oturup kalkacak ve her zaman hareketlerini, hamlelerini kulluk gâyesine bağladığı için de ne zafer ve başarılarıyla küstahlaşacak, ne de hezimetleriyle inkisarlar yaşayacaktır. Düz yolda yürürken veya yokuş aşağı inerken nasıl bir heyecan ve rahatlık içinde ise, en sarp yokuşlara tırmanırken de aynı azim ve aynı kararlılığı gösterecektir.
Evet o, bir yandan hilâfet vazifesini yerine getirme uğrunda, aklî, kalbî, ruhî, hissî bütün melekelerini harekete geçirerek her türlü tasavvuru aşkın bir performans sergilerken, diğer yandan da, sorumluluğu kapsamına girmeyen neticeler konusunda olabildiğine mütevekkil, teslimiyet içinde, yeni hamleler peşinde, alternatif oluşumlar adına ümitlerle dopdolu ve hep Allah'la irtibat peşindedir.
İşte gerçek mü'min ve tam bir hakikat eri örneği! Bu çizgide niceleri gelip gitmiş ve geçtikleri yerleri cennetlerin koridorları haline getirmiş.. ve niceleri de bu yollarda Hakk'ın vadettiği günlere doğru yürüyorlar. Gelip geçenler de, yollarda onları takip edenler de kendilerine ait özelliklerin kahramanları olarak yaşadılar ve yaşıyorlar. Küçük bir menfezle bile bu imtiyazlıları temâşâ etmek epey zaman alacak.. onlar ve siz müsaade ederseniz; bu konuyu başka bir zamana bırakalım.