Naar inhoud
← Alle artikelen

Smaragden van het Hart

Qalb

· Fethullah Gülen · 12 min leestijd

Deze vertaling staat al online terwijl ons redactieteam er nog aan werkt. De tekst kan op details nog veranderen.
Een hart van twee groene bladeren met een rode bloem in het midden, op een gouden twaalfpuntige ster tegen lapisblauw vol sterren.

Het hart is Gods huis: reinig het van al wat niet Hij is,
opdat de Barmhartige in Zijn paleis neerdaalt, nacht na nacht. (İbrahim Hakkı)

Het woord qalb (hart), dat zowel het orgaan als het gemoed aanduidt, wordt in hoofdzaak in twee betekenissen gebruikt. De eerste is het orgaan links op de torso, onder de linkerborst, dat nog het meest op een dennenappel lijkt en dat in bouw en weefsel van elk ander orgaan van het lichaam verschilt. Met zijn wonderlijke kamers en boezems, als middelpunt van alle gevoelens en gewaarwordingen, als bron waarop alle aderen en haarvaten uitkomen, en met het voorrecht dat het, als enige onder de organen van de mens, uit zichzelf beweegt, is het een orgaan van levensbelang: het werkt als een motor en tegelijk als een zuig- en perspomp.

De tweede is de dubbelganger en tegenhanger van de eerste, zijn malakūt1: een laṭīfah rūḥāniyyah (subtiele geestelijke werkelijkheid) die tegelijk de zetel is van bewustzijn, bevattingsvermogen, aanvoelen, verstand en wilskracht. De soefi’s noemden haar al-ḥaqīqah al-insāniyyah (de werkelijkheid van de mens), de filosofen al-nafs al-nāṭiqah (de redelijke ziel). Deze qalb is de eigenlijke werkelijkheid van de mens. Vanuit deze spirituele zijde wordt de mens “wetend”, “kennend”, “begrijpend” genoemd. De rūḥ (geest) is de wortel en het binnenste van deze laṭīfah; de biologische geest is het paard dat haar draagt. Het is altijd deze laṭīfah die door God wordt aangesproken, die verantwoordelijkheden draagt, die gestraft en beloond wordt, die vleugels krijgt als God haar leidt en in het stof rolt als zij dwaalt, die geëerd of veracht wordt, en die de feilloze spiegel van de Godskennis is.

Het hart heeft een aard die tegelijk begrijpt en begrepen wordt. Via het hart treedt de mens zijn geest, zijn lichaam en zijn ʿaql (verstand) binnen. Het hart is als het oog van de geest. Baṣīrah (inzicht) is, in zijn eigen wereld, de blik van dat oog; de ʿaql is de geest van het hart, en de irādah (wil) zijn innerlijke drijfkracht.

Meestal bedoelen we ook dit tweede hart wanneer we “gemoed” zeggen. Afgezien van het verschil tussen gemoed en hart, en van het feit dat de twee bij wijze van beeldspraak voor elkaar worden gebruikt, is deze laṭīfah rūḥāniyyah nauw verbonden met het lichamelijke hart. Hoe die verbinding in elkaar zit, heeft de filosofen en de wijzen van de islam van oudsher sterk beziggehouden. Maar of die betrekking nu in de eerste plaats en wezenlijk is, of in de tweede plaats en bijkomstig, of ze samenhangt met de werking van het hart of met zijn vermogen: er is geen twijfel dat het uiterlijke hart dat we in onze borst dragen, al-laḥm al-ṣanawbarī al-shakl (het dennenappelvormige stuk vlees), en de laṭīfah rabbāniyyah (subtiele werkelijkheid van goddelijke oorsprong), het zinnebeeld van onze menselijkheid en de levensbron van al onze gevoelens, zo in elkaar grijpen dat je ze de twee kanten van één werkelijkheid kunt noemen. Maar hoe die band en betrekking precies in elkaar zitten, zien we, net als de werking van hart, geest, verstand en begrip zelf, enigszins wazig, als door een beslagen ruit.

Wanneer in de Koran, in de godsdienstige wetenschappen, in de ethiek, de literatuur en de soefi-traditie van de qalb sprake is, gaat het meestal om de qalb in deze tweede betekenis. Geloof, Godskennis, liefde tot God en geestelijk proeven (īmān, maʿrifatullāh, maḥabbatullāh, dhawq rūḥānī) zijn tegelijk al-ʿillah al-ghāʾiyyah (de doeloorzaak) van deze qalb en de ware bestemming van zijn bestaan.

Het hart is een lichtende kern met twee zijden: met de ene kijkt het onophoudelijk naar de geestelijke wereld, met de andere naar de wereld van de lichamen. Als het lichaam, onder de samenbindende maat van de goddelijke wet, zich onder bevel van de geest heeft gesteld, dan draagt het hart de gaven die het via de geestelijke wereld ontvangt over op lijf en leden, en laat het daar een bries van vrede en gerustheid waaien.

Het hart is, zoals de ouden zeiden, de plek waar het oog van God op rust. God kijkt naar de mens met het hart van de mens. Naar het woord2 وَلَكِنْ يَنْظُرُ إِلَى قُلُوبِكُمْ, “maar Hij kijkt naar jullie harten”, richt God ook Zijn omgang met de mens naar het hart. Want het hart is als een vesting voor wat voor de mens van levensbelang is: verstand, Godskennis, kennis, intentie, geloof, wijsheid en nabijheid tot God (ʿaql, maʿrifah, ʿilm, niyyah, īmān, ḥikmah, qurb). Staat het hart overeind, dan zijn ook deze vermogens in leven; is het ingestort of door een aantal muhlikāt (verderfelijke ondeugden) aan het wankelen gebracht, dan kan van het leven van deze vermogens, van hun voortbestaan en duur, nauwelijks nog sprake zijn. De Profeet ﷺ, de Waarheidsgetrouwe en Bevestigde, heeft gezegd:

أَلاَ إِنَّ فِي الْجَسَدِ مُضْغَةً إِذَا صَلَحَتْ صَلَحَ الْجَسَدُ كُلُّهُ، وَإِذَا فَسَدَتْ فَسَدَ الْجَسَدُ كُلُّهُ؛ أَلاَ وَهِيَ الْقَلْبُ

“Let op: in het lichaam zit een stukje vlees; is dat gezond, dan is het hele lichaam gezond, en is het bedorven, dan is het hele lichaam bedorven. Let wel: dat is het hart.”3 Zo wees hij op de plaats en het gewicht van het hart in het lichaam van de mens.

Wat nog gewichtiger is: het hart wijst, in de behoefte aan houvast en toevlucht die in zijn aard ligt, altijd naar God; wat het boek van de schepping uitvoerig uiteenzet, houdt het hart het gemoed van de mens onophoudelijk voor, in de taal van nood en gestilde nood; en een gezegend woord dat als hadith rondgaat, zet juist deze naar God gekeerde zijde ervan in het licht.4 İbrahim Hakkı geeft dat woord in dichtvorm zo weer:

Hemel noch aarde, sprak God, kunnen Mij bevatten;
als verborgen schat werd Hij gekend uit de mijn van het hart.

Omdat het zo’n zuivere, gepolijste en betrouwbare tong van de Godskennis is, een tong die niet liegt, wordt het hart, de malakūt van de mens, hoger in ere gehouden dan de Kaäba zelf, en geldt het als de enige spreker die de verheven waarheid kan verwoorden waaraan de hele schepping namens God uitdrukking zou kunnen geven.

Het hart is als een vesting voor de gezondheid van het denken, van het voorstellingsvermogen en van de geest, ja zelfs van het lichaam. De stoffelijke en geestelijke vermogens van de mens schuilen in die vesting en zijn daar veilig. Daarom heeft het hart, dat voor de mens zo veel betekent, ook quarantaine en bewaking nodig. Want raakt deze subtiele werkelijkheid gewond, dan is ze moeilijk te genezen; sterft ze, dan is ze nog moeilijker weer tot leven te wekken. De Koran leert ons het gebed رَبَّنَا لاَ تُزِغْ قُلُوبَنَا بَعْدَ إِذْ هَدَيْتَنَا, “Onze Heer, laat onze harten niet afdwalen nadat U ons geleid hebt…”,5 en de Profeet ﷺ hief van ’s ochtends tot ’s avonds, keer op keer, zijn handen en smeekte:

اَللَّهُمَّ يَا مُقَلِّبَ الْقُلُوبِ ثَبِّتْ قَلْبِي عَلَى دِينِكَ

“O God, U die de harten keert en wendt, houd mijn hart standvastig in Uw godsdienst!”6 Zo herinnert hij ons eraan hoe belangrijk die bescherming en quarantaine zijn.

Het hart is een belangrijke brug waarover al het goede en alle zegen de mens bereiken, maar het kan ook voor gevaarlijk werk worden gebruikt: het kan elke duivelse drift, elke opwelling van de nafs (ego) en elke inval doorlaten. Zolang het op de Waarachtige gericht kan blijven, is het een schijnwerper die licht laat regenen tot in de donkerste hoeken van het lichaam; maar zodra het zich naar het lichamelijke keert, wordt het het doelwit van de giftige pijlen van de Satan…

Het hart is het geboorteland van de geest van geloof, aanbidding en het besef dat God je ziet (īmān, ʿibādah, iḥsān), en de koningstent waar die geest altijd zetelt. Het is een brede, rijke stroom van gevoelens die zacht en onophoudelijk tussen God, de schepping en de mens vloeit; en toch heeft deze subtiele werkelijkheid, die de hele wereld waard is, talloze vijanden die haar van haar plaats willen rukken en de stroom een andere bedding willen geven. Van verharding tot ongeloof, van zelfingenomenheid tot hoogmoed, van leven alsof je nooit sterft tot hebzucht, van begeerte tot onachtzaamheid (qaswah, kufr, ʿujb, kibr, ṭūl al-amal, ḥirṣ, shahwah, ghaflah), van eigenbelang tot zucht naar aanzien: een leger van vijanden staat klaar voor de aanval en loert op haar zwakke plekken en openingen.

Īmān is het leven van de qalb, ʿibādah het bloed dat door zijn aderen stroomt, en tafakkur (overdenking), murāqabah (waakzaamheid) en muḥāsabah (rekenschap) zijn de grondslagen van zijn voortbestaan. Bij wie niet gelooft, is de qalb dood en volledig gesloten voor alles voorbij deze wereld; bij wie niet aanbidt, zit de qalb gevangen in de strikken van de dood en sleept hij zich, ziek zonder uitzicht op genezing, van dag tot dag voort; en in een mens zonder tafakkur, zonder muḥāsabah, zonder murāqabah staat hij open voor elk gevaar en is hij onbeschermd. Mensen van de eerste soort dragen in hun borst misschien een stuk vlees dat als een pomp werkt, maar een qalb in de eigenlijke zin hebben ze beslist niet. Wie tot de tweede soort behoort, leeft in de mistige wereld van zijn waanbeelden tussen zijn en niet-zijn, altijd als gevangene van de verte, en komt nooit aan. Mensen van de derde groep hebben al een hele weg afgelegd en heel wat hindernissen genomen, maar omdat ze de top niet halen, blijven ze altijd op het hellend vlak staan, het gevaar onder hun voeten; ze gaan met vallen en opstaan verder, zetten hun wedloop met winst en verlies voort en slijten hun leven op de hellingen van een ondankbare heuvel die ze nooit bedwingen.

Wie geloofd heeft, zijn geloof heeft geleefd en zijn koningstent heeft opgeslagen op de vlakte van het besef dat God hem ziet, staat, wat de middelen van deze wereld betreft, op de top van de veiligheid, en onder Gods hoede in de gordel van de geborgenheid. Zulke mensen bekijken de schepping met inzicht, zien door het licht van God wat achter de dingen schuilgaat, en blijven altijd bezonnen; hun hart leeft bevend als het hart van een duif, overal zoeken ze Zijn welbehagen, al hun doen stemmen ze af op wat God behaagt, en met de liefde tot God gaan ze slapen en staan ze op. God op Zijn beurt houdt van hen en laat ook gelovige harten van hen houden. Zo worden zij “geliefd bij mens en djinn” en worden ze overal met open armen ontvangen.

Yūsuf de Oprechte, de held van de soera die zijn naam draagt, wordt in die gezegende soera precies vijf keer genoemd als iemand die leeft in iḥsān;7 dat wil zeggen dat hemel en aarde, vriend en vijand, Schepper en schepsel, allemaal getuigen van zijn yaqīn (zekerheid), zijn muḥāsabah en zijn murāqabah.

Toen Yūsuf (vrede zij met hem) nog in de knop stond, wees God al op zijn besef dat God hem ziet, en zei: “Zo belonen Wij wie leeft in het besef dat Wij hem zien.”8 In de gevangenis voelden allen, slecht of goed, de diepte, de helderheid en de kennis van Godswege in zijn denken aan; ze namen hem tot raadsman, liepen naar hem toe, geloofden hem, hechtten zich aan hem en zeiden: “Vertel ons de uitleg van onze dromen; want wij zien dat jij leeft in het besef dat God je ziet,”9 en legden hem hun moeilijkheden voor. Deze held had elke beproeving met goed gevolg doorstaan en in het hart van vriend en vijand de troon bestegen; omdat hij tegenover de wereld zijn houding niet veranderde, prijst God hem nog eens: “Onze barmhartigheid schenken Wij aan wie Wij willen, en het loon van wie leeft in het besef dat Wij hem zien, laten Wij niet verloren gaan,”10 en wijst zo op Zijn goddelijke waarborg. Zijn broers, wier hart tot die dag altijd van jaloezie jegens hem had geklopt, konden, toen de dag kwam, zich aan die afgunst ontworstelen en zeiden: “Waarlijk, wij zien dat u één bent met het besef dat God u ziet.”11 Zo boden ze hem, al was het verhuld, hun verontschuldiging aan en erkenden ze zijn oprechtheid.

En ten slotte, als een gerijpt mens die tot rust is gekomen, getuigt Yūsuf (vrede zij met hem) ook zelf van de onverdiende zegeningen die God hem heeft geschonken. “Waarlijk, wie God vreest, behoedzaam voor Hem leeft en geduld in elke vorm belichaamt, diens loon laat God niet verloren gaan, want zo iemand leeft in het besef dat God hem ziet,”12 zegt hij, en vertelt zo, in het bijzijn van al die getuigen, wat God aan hem gedaan heeft.

Bij een hart waarvan iedereen zo goed getuigt, zijn eb en vloed en afdwalen volgens Gods vaste wijze van doen ondenkbaar, en evenmin valt aan te nemen dat het Gods zegen zou moeten missen. Want dat hart is voor de mens wat de Troon voor de schepping is, en het is een blankgeschuurde spiegel waarop de Waarachtige elk ogenblik Zijn blik laat rusten. Een spiegel waar de Waarachtige keer op keer in kijkt en die Hij elk ogenblik een nieuwe waarde geeft, is niet zomaar een ding dat je breken en weggooien kunt. Het is de geest van wat de mens werkelijk is, en God zelf prijst het.

Rūmī zegt:

حَق هَمِي گُويَد نَظَر مَانْ بَر دِلَسْت
نِيست بَر صُورَت كِه آن آب و گِلَسْت
تُوهَمى گُويي مَـرَا دِل نِيزهَسْت
دِل فَرازِ عَرشْ بَاشَـد نِـي بَسْـت

“God zegt: Onze blik rust op het hart, niet op de gestalte, die uit water en klei is. Jij zegt: ook ik heb een hart in mij; maar het hart is hoog boven de Troon, niet beneden.” Zo brengt hij juist deze waarheid in herinnering.

اَللَّهُمَّ يَا مُقَلِّبَ الْقُلُوبِ ثَبِّتْ قُلُوبَنَا عَلَى دِينِكَ وَصَلِّ وَسَلِّمْ عَلَى سَيِّدِنَا مُحَمَّدٍ مَحْبُوبِ الْقُلُوبِ
“O God, U die de harten keert en wendt, houd onze harten standvastig in Uw godsdienst, en schenk zegen en vrede aan onze meester Muḥammad ﷺ, de geliefde van de harten.”

Sızıntı, april en mei 1992, deel 14, nr. 159 en 160

Voetnoten
  1. 1Binnenkant: Arabisch malakūt (Koran 6:75, 36:83), tegenover mulk, de buitenkant. In de Koran betekent het paar heerschappij en koninkrijk; bij al-Ghazālī en Said Nursi zijn het de twee kanten van elk ding: de kant die de zintuigen zien, en de kant die rechtstreeks naar God gekeerd staat. Wie die binnenkant volgt, komt in de geestelijke wereld, waar de engelen wonen. ↩
  2. 2“(God kijkt niet naar jullie lichamen en gestalten,) maar naar jullie harten.” Muslim, Birr 33. ↩
  3. 3al-Bukhārī, Īmān 39; Muslim, Musāqāh 107. ↩
  4. 4al-ʿAjlūnī, Kashf al-khafāʾ 2/255. Voor een hadith met een verwante betekenis zie al-Ṭabarānī, Musnad al-Shāmiyyīn 2/19. ↩
  5. 5Koran 3:8. ↩
  6. 6al-Tirmidhī, Qadar 7, Daʿawāt 90; Aḥmad b. Ḥanbal, Musnad 6/302. ↩
  7. 7Koran 12:22, 36, 56, 78, 90. ↩
  8. 8Koran 12:22. ↩
  9. 9Koran 12:36. ↩
  10. 10Koran 12:56. ↩
  11. 11Koran 12:78. ↩
  12. 12Koran 12:90. ↩
Eerste publicatie Sızıntı, april 1992