In haar innerlijke wezen is de vrouw een monument van mededogen. Dat mededogen komt voort uit haar schepping en haar aard. Zolang haar zuivere natuur niet bezoedeld raakt, denkt zij in mededogen, spreekt zij met mededogen, handelt zij uit mededogen. Haar leven lang hult zij haar omgeving in mededogen, en laat zij ieder daar gul van proeven.
Terwijl zij allen met mededogen omhelst en ieder daar met volle teugen van laat drinken, lijdt zij – uit tederheid en fijngevoeligheid – in stilte met hen mee. Ze zorgt met liefde voor iedereen om haar heen: haar ouders, broers en zussen, vrienden, en wanneer de tijd daar is, haar echtgenoot en kinderen.
Wanneer zij deelt in hun vreugde en geluk, opent zij zich als een roos en verspreidt een stille glimlach over haar omgeving. Wanneer zij hun verdriet en zorgen ziet, verwelkt zij als een blad en weent zij, bewogen door hun verdriet.
Zij verlangt ernaar schoonheid te zien en zich te omringen met al wat mooi is. Soms vindt zij wat zij zoekt, soms ook niet. Soms waait er een felle wind die alles losrukt waaraan haar hart zich heeft gehecht; op zo’n moment klaagt en dwaalt zij rond, en waar zij ook gaat vindt zij geen rust. Dan kolkt haar binnenste van benauwdheid, en snikt zij stilletjes, met tranen die zich niet laten zien. En soms glanst er schoonheid aan haar horizon, en dan verheugt zij zich als een blij kind en deelt zij gul schalen vol vreugde uit.
Een thuis als afspiegeling van het Paradijs
Een vrouw die haar zielsverwant vindt in haar echtgenoot en haar vervulling vindt in haar kinderen, is als een vrouw uit het Paradijs. En het thuis dat zij bouwt is als het Paradijs zelf.
Kinderen die onder de hoede van zo’n thuis opgroeien, baden er in mededogen en groeien op als hemelse wezens. Wie het geluk heeft in zo’n thuis grootgebracht te worden, draagt altijd iets van het Paradijs met zich mee – zij leven met de vreugde van het hogere en stralen warmte uit naar iedereen om zich heen.
In zo’n gezin vormen de gezinsleden weliswaar afzonderlijke personen, maar de ziel die hen allen bezielt, is één. Deze ziel, die uit haar ontspringt en het hele huis omhult, doet zich gelden als een verbindende, begeleidende kracht.
Een gezegende vrouw, die de horizon van haar hart helder houdt en haar geest vrij laat stromen, is binnen het gezin als een Poolster: zij staat op haar vaste plek en draait rustig om haar eigen as, terwijl de andere gezinsleden hun bestaan om haar heen vormgeven en in verbondenheid met haar hun doelen nastreven. Ieders band met het huis is immers tijdelijk, begrensd en betrekkelijk. Maar de vrouw – wat haar roeping in het leven ook is – houdt het thuis bijeen en voedt haar gezin met liefde.
Spirituele gids voorbij woorden
Een vrouw wier gedachten en gevoelens geheel op de eeuwigheid gericht zijn, laat onze geest iets ervaren wat geen enkele spirituele gids of onderwijzer ons kan overbrengen. Zij siert ons hart met kalligrafieën van de fijnste betekenissen – lijnen waaraan de tand des tijds niet kan knagen en die door geen hand uitgewist kunnen worden. Zo legt zij in ons onderbewuste een verborgen rijkdom die ons later, wanneer de tijd daar is, in staat stelt werelden te omspannen.
In de nabijheid van zo’n een volmaakte mens1, ervaren wij hoe de barmhartigheid, compassie en poëzie van het hiernamaals in onze geest neerdalen, en ademen wij met vreugde de adem van het eeuwige in.
“Zij is de zuiverste essentie van goddelijk rentmeesterschap op aarde”
De vrouw is, vooral in haar moederschap, zo diep als de hemel zelf, en in haar hart bruisen gevoelens en gedachten als sterren aan het firmament. In haar binnenste huist een kluwen van gevoel en barmhartigheid. Altijd leeft zij in harmonie met haar lot, zoet en bitter, verzoend met haar vreugde en verdriet, verweven met blijdschap en zorg. Gesloten voor haat en vijandschap, steeds gericht op herleving en opbouw. Zij is de zuiverste essentie van goddelijk rentmeesterschap op aarde. Als het ware het destillaat van menselijke verfijning.
Een gezegende vrouw die, door haar geloof en haar besef van eeuwigheid, de deuren van haar hart heeft geopend naar het oneindige, staat op een magisch punt waar materie en betekenis, lichaam en ziel samenvallen. Daar bezit zij een glans die zó ver boven onze voorstelling uitstraalt, dat zelfs onze hoogste lof en waardering – hoe oprecht ook bedoeld – verbleken tot flakkerende kaarsen naast de zonnen van haar werkelijke waarde.
In ons denkkader en ons waardenstelsel is de vrouw de voornaamste kleur van de schepping, het meest gezegende en wonderbaarlijke fundament van de mensheid, een volmaakte afspiegeling van de schoonheid van het Paradijs in onze huizen, en de stevigste waarborg van ons bestaan en voortbestaan.
Voordat zij geschapen werd, was Profeet Adam (vrede zij met hem) alleen, het ecosysteem zonder ziel, de mensheid gedoemd tot sterven, het huis niet meer dan een holle boom, en de mens een gevangene in de glazen kooi van zijn sterfelijkheid.
Met haar kwam er een tweede pool, en de polen vonden elkaar. Het bestaan vulde zich met een nieuwe klank en een nieuw gezicht. De schepping trad haar voltooiing tegemoet. De eenzame mens werd een soort op zichzelf en daarmee een wezenlijk element in het universum. Daarmee gaf zij haar metgezel een waarde mee die boven alle waarden uitstijgt.
De gelijkwaardigheid van man en vrouw
Hoewel vrouwen fysiologisch en psychologisch anders zijn dan mannen, betekent dit niet dat de een hoger of lager staat dan de ander. We kunnen dit verschil vergelijken met stikstof en zuurstof in de lucht: beide elementen vervullen hun eigen, onvervangbare functie en zijn in gelijke mate van elkaar afhankelijk. Te zeggen dat “stikstof waardevoller is” of “zuurstof nuttiger”, is even onzinnig als het onderling vergelijken van de waarde van vrouwen en mannen. Zij delen dezelfde oorsprong en dragen een gezamenlijke opdracht in de wereld; zij zijn als twee zijden van één werkelijkheid – even verschillend als onmisbaar voor elkaar.
Man en vrouw, jong en oud, boog en pijl – ieder zoekt zijn paar,
want niets in de wereld staat op zichzelf – alles is met elkaar.
- Anoniem
Hoe de vrouw eeuwenlang werd miskend
Helaas is de waarde van de vrouw in de loop van de geschiedenis vaak niet erkend. In sommige culturen werden haar zelfs de meest basale rechten onthouden, en werd zij soms als een kwaad gezien. Ze werd afgeschilderd als een louter emotioneel wezen, dat men liever uit de weg ging. Elders werd de vrouw teruggebracht tot een dienende rol binnen het huis, onderworpen aan het gezag van de man, en soms door haar eigen vader uitgehuwelijkt of zelfs verhandeld.
Eeuwenlang werd de vrouw in verschillende gemeenschappen beschouwd als een last of als een bron van schande voor haar familie. In sommige culturen kreeg zij niet eens een eigen naam; ze was niet meer dan een nummer. Elders was zij niet meer dan een middel tot voortplanting.
Zelfs de groten van de wijsbegeerte hebben bijgedragen aan deze beschamende traditie: de vrouw werd neergezet als de poort waarlangs het kwaad binnendringt, als een gebrekkig en onvoltooid wezen, als een belemmering voor het succes van de man – ja, zelfs als een mislukking van de schepping.
Islam als bevrijder van vrouwenrechten
De islam, met zijn boodschap van eeuwigheid, was de eerste godsdienst die de geschonden rechten van vrouwen herstelde en hen expliciet beschermde door duidelijke regels vast te leggen. De Koran benadrukt deze waarheid onmiskenbaar met de woorden: “Mannen hebben rechten tegenover vrouwen, zoals vrouwen eveneens rechten tegenover mannen hebben”2, en verheft daarmee de vrouw tot haar rechtmatige plaats binnen de schepping.
In zijn afscheidspreek sprak de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen zij met hem) deze gedenkwaardige woorden: “Ik raad jullie dringend aan de rechten van vrouwen te eerbiedigen en hierin God te vrezen, want zij zijn jullie door God toevertrouwd.”
Dat vrouwen in die duistere tijd, toen zij vrijwel overal ter wereld als koopwaar werden behandeld, tot een positie van respect werden verheven, was een historische gebeurtenis van groot belang. De positie en rechten van de vrouw worden in de Koran en de Sunnah zó duidelijk benadrukt, dat het geen overdrijving is te stellen dat zij door de islam uit gevangenschap werd bevrijd.
Veel schrijvers, zowel moslim als niet-moslim, delen deze overtuiging. Maurice Gaudefroy-Demombynes, auteur van het standaardwerk Muslim Institutions, stelt dat de Koran principes ter bescherming van vrouwen introduceerde die gunstiger waren dan veel Europese wetten uit dezelfde periode. Ook de Britse oriëntalist Stanley Lane-Poole benadrukt dat de islam uniek is door de historische omwenteling die hij in vrouwenrechten heeft gebracht. L.E. Obbald onderschrijft dit met zijn opmerking dat alleen de islam vrouwen wist te bevrijden uit onderdrukking en hun geschonden rechten kon herstellen.
Terug naar de oorspronkelijke harmonie
God schiep de vrouw als gelijkwaardige partner van de man. Adam kon niet zonder Eva, Eva niet zonder Adam. Dit eerste stel kreeg een belangrijke taak: zij werden aangesteld om namens hun Schepper te handelen, Zijn eigenschappen te weerspiegelen, en de rest van de schepping te laten begrijpen wat mens-zijn inhoudt. Ze waren als twee lichamen met één ziel, twee verschillende zijden van één waarheid. In de loop der tijd is deze oorspronkelijke eenheid verbroken door grofheid en kortzichtigheid. Toen die harmonie verloren ging, raakten zowel het gezin als de maatschappelijke orde ontwricht.
“Ze waren als twee lichamen met één ziel, twee zijden van één waarheid.”
In wezen is de schoonheid van zowel vrouw als man slechts een straal van de Schoonheid van de Schepper, de Allerschoonste, zoals ook Ibn al-Fāriḍ benadrukt. Deze twee wonderen van de schepping stonden hand in hand, schouder aan schouder, en werden nog mooier wanneer ze elkaar accepteerden in hun eigen rol.
Echter, interpretaties en verwachtingen die buiten de natuurlijke orde van de schepping vallen, hebben deze harmonie verstoord. Vooral de schoonheid van de vrouw – een veelzijdige weerspiegeling van de Goddelijke Schoonheid – raakt verduisterd door onze fixatie op haar uiterlijke verschijning, waardoor wij zelf de reikwijdte van haar grootsheid beperken.
Zolang vrouwen zich bewust zijn van hun innerlijke diepte en trouw blijven aan hun eigen, door God gegeven aard, worden zij een zó helder gepolijste spiegel dat zij de wezenlijke schoonheid van de schepping weerspiegelen.
Wie met zuivere blik naar deze weerspiegeling kijkt, bevrijdt zich in één oogopslag uit de duisternis van lichamelijkheid en stijgt op naar de hoogte van goddelijke schoonheid. In hun hart weerklinkt dan:
De zon der schoonheden gaat uiteindelijk onder,
maar ik ben de minnaar van de Eeuwige –
ik houd niet van wat ondergaat.
- Anoniem
Voetnoten
- 1‘De volmaakte mens’ verwijst naar het concept van al-Insān al-Kāmil: een mens die in denken, voelen en handelen tot volledige geestelijke rijping is gekomen. Een weerspiegeling van de goddelijke eigenschappen op het hoogste niveau en het doel waartoe de mens geschapen is: een leven in volmaakte harmonie met waarheid, wijsheid en overgave aan God. ↩
- 2Koran 2:228. ↩
İç donanımı itibarıyla kadın bir şefkat âbidesidir; şefkati de yaratılış ve tabiatından kaynaklanmaktadır. Bu nezih tabiat, yanlış müdahalelerle kirletilmemişse, hep şefkat düşünür, şefkat söyler; şefkatle oturur-kalkar; bir ömür boyu çevresindekileri şefkatle süzer ve herkese kadeh kadeh şefkat içirir. Herkesi şefkatle kucaklayıp herkese şefkat içirdiği aynı anda, inceliğinin ve içtenliğinin gereği olarak da sürekli ızdırapla yutkunur durur. Bir tül gibi titrer etrafındaki herkesin üzerine, anne-babasına, kardeşlerine, arkadaşlarına ve bütün yakınlarına; tabiî mevsimi gelince eşine, evlâtlarına. Paylaşırken onlarla zevki, lezzeti, neş'eyi, güller gibi açar ve çevresine gülücükler yağdırır. Görünce de onlarda tasayı, kederi, yapraklar gibi sararır-solar ve hüzünle inler.
Her zaman güzel şeyler görmek, güzellerle içli dışlı olmak ister; ne var ki, bazen umduklarını bulur, bazen de bulamaz. Bazen, çevresinde rüzgâr hep zorlu eser ve sarsar onun dil bağladığı her şeyi, işte o zaman inler dolaşır dolaştığı her yerde. Hafakanlarla köpürür durur ve içten içe gözyaşlarıyla soluklanır. Bazen de, ufkunda tüllenen güzelliklerle tıpkı çocuklar gibi sevinir ve herkese kâse kâse neş'eler sunar.
Ruh ufku itibarıyla eşini bulmuş ve çocuklarıyla susuzluğunu giderebilmiş bir kadının, Cennet hurilerinden ve böyle birinin çevresinde örgülenmiş yuvanın da Firdevs'ten farkı yoktur. Her hâlde böyle bir Cennetliğin gölgesinde şefkat yudumlaya yudumlaya yetişen çocukların da ruhanîlerden farkı olmayacaktır; evet böyle bir yuvada neş'et etme bahtiyarlığına ermiş bir fert, başı Firdevslere ermiş gibi ötelerin neş'esiyle yaşar ve çevresine tebessümler yağdırır durur.
Böyle bir yuvada, tenler ve cesetler ayrı ayrı görünse de, herkese ve her şeye hükmeden can bir tanedir. Her zaman kadından fışkırıp bütün bir yuvayı saran bu can, mânen bir büyü, bir ruh gibi her zaman herkesin üzerinde kendini hissettirir ve âdeta onları bir yerlere yönlendirir. Kalb ufkunu karartmamış ve ruhunun önü açık mübarek bir kadın, aile sistemi içinde tıpkı bir Kutup Yıldızı gibidir; hep yerinde durur, kendi etrafında döner; sistemin diğer üyeleri ise, varlıklarını her zaman onun çevresinde şekillendirir ve ona bağlılık içinde hedeflerine yürürler; evet, herkesin yuva ile münasebeti muvakkat, sınırlı ve izafîdir. Kadın ise, başka bir işi olsun olmasın, içinde şefkat, merhamet, sevgi macununun kaynayıp durduğu mutfağıyla sürekli evinin orta yerinde dimdik ayakta durmakta ve duygularımıza neler ve neler pişirip sunmaktadır..!
Duygu ve düşünce dünyasıyla sonsuza tam yönelmiş bir kadın, hiçbir mürşid ve hiçbir muallimin duyuramayacağı şeyleri duyurur ruhlarımıza ve gönüllerimizi, zamanın solduramayacağı, kimsenin silemeyeceği en enfes mânâların en nefis hatlarıyla süsler; derken şuuraltı donanımımızla bizi daha sonraki hayatımızda, dünyaları peyleyebileceğimiz ne potansiyel zenginliklere ulaştırır! Biz hemen her zaman böyle yetkin "insan-ı kâmile" bir kadının huzurunda, ruhlarımıza ötelerin merhamet, şefkat ve şiirinin döküldüğünü duyar gibi olur ve içimizin derinliklerinde hep uhrevîleşmenin neşvesiyle nefes alır-veririz.
Bize göre kadın, hususiyle de analık buuduyla, semalar kadar derin ve gönlünde göklerin yıldızları kadar duyguların, düşüncelerin köpürüp durduğu bir his ve merhamet yumağıdır. O her zaman, acı-tatlı tali'iyle uyumlu, sevinçleriyle-kederleriyle barışık, neş'eyle-tasayla iç içe, kine-nefrete kapalı, her hâliyle ihya ve imar peşinde ve yeryüzünde ilâhî hilâfetin en saf mayası, insanî inceliğin de âdeta bir özü ve usaresidir. Bilhassa, inancı ve sonsuzluk düşüncesiyle gönül kapılarını ebediyetlere aralamış bahtiyar bir kadın; madde ve mânânın, cisim ve ruhun birleşik âlemi diyebileceğimiz sihirli bir noktada, tasavvurlar üstü öylesine parlak bir konuma mâliktir ki, bunun ötesinde ona vereceğimiz en yüksek pâyeler ve makamlar dahi onun güneşler gibi parıldayan gerçek değerleri yanında -yeri, konumu ve mazhariyetleri adına mübalâğalara girilerek hakikî hâline gölge düşürüldüğü için- sönük birer mum mesabesinde kalırlar.
Bizim düşünce dünyamız ve değerler atlasımızda kadın, hilkat hâdisesinin en önemli rengi, insanlık âleminin en bereketli ve sihirli rüknü, evlerimizde Cennet güzelliklerinin kusursuz bir izdüşümü, varlık ve bekâmızın da en sağlam teminatıdır. O yaratılmadan önce Âdem Nebi yalnız, eko-sistem ruhsuz, mutasavvar insanoğlu inkıraza teslim, yuva ağaç kovuğundan farksız bir in ve insan da kendi ömür fanusunun mahpusuydu. Onunla ikinci bir kutup oluştu ve kutuplar birbirine bağlandı. Varlık yeni ve farklı bir sesle, bir görüntüyle şenlendi, yaratılış tamamlanma vetiresine girdi ve yalnız insan da bir nev'e dönüşerek, kâinatın en ehemmiyetli bir unsuru hâline geldi; geldi ve eşine değerler üstü değer kazandırdı.
Gerçi kadın, fizyoloji ve psikoloji açısından farklı bir tabiata sahip ve ayrı özellikleri haizdir; ama bu, erkeğin kadından üstün ya da kadının erkekten aşağı olması mânâsına gelmez. Kadını-erkeği havadaki azot ve oksijen şeklinde düşünecek olursak, her ikisi de hususî yerleri, konumları itibarıyla fevkalâde önemlidirler ve aynı ölçüde birbirlerine muhtaçtırlar. Havadaki unsurları birbiriyle mukayese ederek: "Azot daha kıymetlidir." ya da "Oksijen daha faydalıdır." mülâhazası ne ölçüde abes ise, kadın-erkek arasında bu türlü mukayeselere girmek de o ölçüde bir münasebetsizliktir. Evet, kadın-erkek, yaratılış ve dünyadaki misyonları açısından birbirlerinden farksızdırlar ve bir vâhidin birbirine muhtaç iki ayrı yüzü gibidirler.
Zen merde, civan pîre, keman da tîrine muhtaç;
Eczâ-i cihan cümleten birbirine muhtaç. (Anonim)
Ama acaba kadın, dünyanın her yerinde ve her zaman bu ölçüdeki değerleriyle tanınabildi mi? Hiç zannetmiyorum; işte Muhterem Ş. Can'dan küçük alıntılarla bir kısım örnekler: Dünyanın bir bölümünde o, hiçbir zaman evlenme, miras ve diğer insanî hakların en küçüğüne dahi sahip olamadı. Herhangi bir hakka sahip olmak bir yana o, kasırgadan, ölümden, yılandan, zehirden daha zararlı bir yaratıktı. (Vedalar'daki onun fotoğrafından gördüklerimiz bunlar...) Bir başka zaviyeden aynı bölgede o, hislerine tâbi bir mahluk gibi görülüyor, kendisine bakılıp görülmemesi lâzım geldiği vurgulanıyor, bakıp görme mecburiyetinde kalınınca da kendisiyle konuşulmaması, konuşulunca da uzakta durulması esas alınıyordu. (Ki Buda ile Amenda arasında geçen konuşmadan süzüp çıkardığımız resimde bunlar apaçık...)
Bir başka coğrafyada, erkek ailenin mutlak hâkimi, kızlarsa evlerde hizmetçi konumunda birer zavallı; hatta bazen babaları tarafından satılan birer esir gibidirler. Aslında onlar böyle bir muameleye müstahak idiler; zira kadın Âdem'i aldatmış ve onu kötülüğe sevk etmişti. Bu açıdan da o mutlak mel'un sayılmalıydı. (Bazı İsrail kaynakları itibarıyla kadın hakkında biçilen hüküm de bu çerçevede...)
Diğer bir dünyada ise, o insan sayılmıyor, kendisine isim verilmiyor; 1, 2, 3 diye hitap ediliyor, hatta bazen domuz gibi görülüyordu. (Bu mide bulandıran tablo da Eski Çin'den...)
Daha başka bir âlemde ise o, çocuk yapan bir makine ve orta malı değersiz bir meta idi. (Yunan ve Roma'ya ait bu yaklaşımda edebimize takılıp dışarıda kalan daha başka mülâhazalar da var...) Şu sözler de, işte bu kültürün devâsâ düşünürlerine ait: "Kadın, Cehennem'in kapısıdır ve o bir maldır." (Eflatun'un düşüncesi diye kayıtlı...) "Kadın yaratılış itibarıyla yarım kalmış bir erkektir." (Bu da Aristo'ya ait.) "Kadın, erkekler büyük işler başarmasın diye yaratılmıştır. O yaratılmasaydı, erkekler tanrılaşabilirlerdi." (Çiçero) Kadını aşağılayıcı benzer yaklaşımlar daha sonra da devam etmiştir. Sekizinci Henry dönemine kadar (1509-1547) kadın, Cennet'te ilk günahın işlenmesine sebebiyet verdiği için İncil'e el süremezdi. İşte bu atmosferde şu kabîl mülâhazalar çok yaygındı: "Kadın -hâşâ- bir hilkat hatasıdır." ("Yitirilmiş Cennet" yazarı Milton) Bir azizin ağzından dökülen şu sözlerse fevkalâde ürperticidir: "Eğer kadınlar ahirette cinsî duygularıyla dirilecek olurlarsa, korkarım orada da erkekleri baştan çıkarırlar." (Dilerim bu, Saint Augustine'e bir isnad olsun.)
Modern çağlarda da kadını karalama hep aynı çizgide devam etmiştir: Nietzsche; "Kadınla konuşacağın zaman kırbacı eline almayı unutma!" diyerek, âdeta bir dünyanın düşüncesine tercüman oluyordu.
Leon Tolstoy, evlilikle alâkalı hatıra defterinde; "Evlendiğim için çok mutluyum. Yuva saadeti bir güneş gibi ruhumu aydınlatıyor." diyordu ki, bunlar yerinde ve doğru sözlerdi. Ama bir süre sonra yazdığı bir romanında roman kahramanını: "A, sakın evlenme; eşin ortaya iyi bir eser koymanı engeller. Alâkalarını baskı altına alır ve seni aşağı ve sıradan bir varlık hâline getirir. O bayağı bir varlık olduğu için kocasının ruhunu da bayağılaştırıp alçaltmak ister." şeklinde konuşturarak, kadınlar hakkında gerçekten ne düşündüğünü açıkça ortaya koymuştu.
İslâm'ın ilk zuhur ettiği Arap Yarımadası'nda Cahiliye dönemi itibarıyla durum aynıydı; kadının dünyaya gelişi de, büyümesi ve büyütülmesi de ve daha sonra evlenmesi de tamamen birer trajediydi. Kız çocukları bir taraftan ailenin sırtında birer yük kabul edilir, diğer yandan da mevcudiyetleri birer ar vesilesi sayılarak, bazı bölgeler itibarıyla diri diri toprağa verilirlerdi.
Topyekün insanlığa ebedî var olmanın mesajlarıyla gelen İslâm, (Bu konu etrafındaki konuşmaların bir kitap hâline getirilebileceği vaadiyle şimdilik bu mevzuu icmalî bağlıyoruz.) toplum tarafından, kadının gasp edilmiş haklarını da istirdat ederek onu açıkça sıyanet altına alan ve bu hususta sağlam kurallar vaz'eden ilk dindir. Kur'ân; "Erkeklerin kadınlar üzerinde bazı hakları olduğu gibi, kadınların da erkekler üzerinde hakları vardır."[1] fermanıyla, herhangi bir yoruma meydan bırakmayacak şekilde bu gerçeği vurgular ve kadını yaratılış plânındaki konumuna yükseltir. Veda Hutbesi'nde İnsanlığın İftihar Tablosu: "Size, kadınların hukukunu gözetmenizi ve bu hususta Allah'tan korkmanızı öğütlerim, kadınlar size Allah'ın emanetidirler." buyurur. Kadının, hemen bütün dünyada bir meta gibi alınıp-satıldığı o meş'um dönemde, onları saygı duyulacak bir konuma yükseltmek, kadınlık âlemi için önemli bir tarihî hâdisedir. Kur'ân ve Sünnet'te, kadının konumu ve hakları o kadar net ve açık vurgulanır ki, onun İslâm'la esaretten kurtulduğunu söylersek, mübalâğada bulunmuş olmayız.
Zaten, bütün bir insaf dünyası da, kadın konusunda böyle düşünmektedir. İslâm dünyasındaki yazarların pek çoğunun tanıyıp başvurduğu G. Demombyne: "Kur'ân, kadın hakları konusunda şimdiki Avrupa kanunlarının getirdiği esaslardan daha müsait esaslar getirmiştir." der. Tanınmış bir diğer araştırmacı olan Stanley Lane-Poole ise: "İslâmiyet'in kadın hakları konusunda yaptığı değişiklikleri hiçbir kanun vâzıı yapamamıştır." diyerek, önemli bir itirafta bulunur. L. E. Obbald da aynı mülâhazaları paylaşma sadedinde: "Kadınları esaretten kurtarıp, onlara mahrum edildikleri hakları iade ancak İslâmiyet'le gerçekleştirilebilmiştir." der ki, bir kadirşinaslık ifadesidir.
Evet, Allah kadını başka değil, erkeğe eş olarak yarattı. Âdem Havva'sız, Havva da Âdem'siz olamazdı. Bu ilk çift, hem Yaratıcı adına hem de varlık hesabına âyinedarlık ve tercümanlık gibi önemli bir vazife ile vazifelendirilmişlerdi.. iki ceset, bir ruh gibiydiler ve bir hakikatin ayrı ayrı iki yüzünü temsil ediyorlardı. Zamanla, kaba anlayış ve hoyrat düşünce bu birliği bozdu. Onun bozulmasıyla da hem aile düzeni hem de içtimaî nizam bozuldu.
Aslında, İbn Fârıd'ın da dediği gibi, kadının güzelliği de erkeğin güzelliği de, Güzeller Güzeli Yaratıcı'nın cemalinden birer parıltıydı. Bu iki hilkat harikasının, birbirlerini kendi konumlarında kabul edip el ele ve omuz omuza bulunmaları, onları olduklarının ötesinde ayrı bir güzelliğe ulaştırıyordu. Yaratılış plânıyla belirlenmiş bulunan çerçevenin dışındaki farklı yorumlar ve takdirler ise, onları çirkinleştiriyor, hoyratlaştırıyor.. ve bilhassa güzellik ve endamın en anlamlı yanı, "hiss-i mücerret" olması itibarıyla, Hak cemalinin çok buudlu bir aynası sayılan kadın, beşerî tabiatının kesif renkleriyle kendi kendini matlaştırıyor ve her şeyi cismaniyete bağlayarak o önemli âyinedarlık vazifesini daraltıyor ve âdeta bir fitne vesilesi hâline getiriyordu ki, ona fitne denmesi de bu özel tavrı itibarıyla olsa gerek.
Evet, kadın kendi derinliklerinin şuurunda olup ve kendi tabiatının sınırları içinde kaldığı sürece, varlığın özündeki güzellikleri aksettiren öyle mücellâ bir ayna hâline gelecektir ki, meşru çerçevede ona, doğru bakıp doğru düşünebilenler bir hamlede cismaniyetlerinin karanlıklarından kurtulur, Hakk'ın güzelliklerini temâşâ ufkuna yükselir ve gönüllerine:
Afitâb-ı hüsn-ü hûbân akıbet eyler üfûl,
Ben muhibb-i lâ yezâlim "lâ uhibbü-l âfilîn.[2]
dedirtirler.