Naar inhoud
← Alle artikelen

De Gebarsten Kruik

Heelheid van binnen en buiten

· Fethullah Gülen · 9 min leestijd

Twee silhouetten: links een mens die krom voorover hangt, donker van binnen met een dunne lichte rand; rechts een mens die rechtop staat, licht tot in de kern.

In onze tijd komen veel mensen niet los van een scheiding tussen hun binnenwereld en wat er naar buiten van hen zichtbaar wordt. Ook al kunnen zij hun binnenwereld niet voldoende opbouwen, toch proberen zij naar buiten het beeld op te houden van een mens die nergens in tekortschiet. Wat er in hun persoonlijke leven of gezinsleven ontbreekt en waar zij zwak zijn, weten zij in het openbare leven vakkundig te verbergen. Soms proberen zij dit gespeelde gedrag zelfs goed te praten met de gedachte: “We moeten de islam goed voorleven.” Wat ons als moslims echter te doen staat, is mensen te zijn die de islam naar behoren voorleven1, en het schone van de islam te laten zien in hoe we zijn en hoe we handelen. De weg daarheen loopt allereerst via het opheffen van de scheiding tussen onze binnenwereld en onze buitenkant. Met de woorden die aan Rūmī worden toegeschreven: we moeten ons ofwel tonen zoals we zijn, ofwel zijn zoals we ons tonen. Daarom dienen we eerst onze eigen binnenwereld te herstellen, onze kromme en scheve kanten recht te zetten en te proberen een rechtschapen leven te leiden. Pas daarna een voorbeeld zijn voor anderen.

Of dat lukt, hangt in wezen af van een stevig geloof en een diep besef van dienaarschap. Wanneer het geloof wortel schiet in het kennende hart, wordt de uitwerking ervan ook vanzelf zichtbaar in houding en gedrag. En helemaal als een mens de hoogte van iḥsān2 bereikt en gaat leven met het besef dat God hem op elk moment ziet, en het gevoel tot deel van zijn leven maakt dat zijn goede daden beloond en zijn fouten en onrecht gestraft zullen worden, dan wordt ook zijn gedrag vanzelf rechtschapen. Heeft iemand het besef van dienaarschap tot een deel van zijn natuur gemaakt, dan worden zijn gezinsleven, zijn omgang met de buren en zijn maatschappelijke betrekkingen er mooier op. Waar het dus vooral om gaat, is dat het leven van ons hart en onze gevoels- en gedachtewereld worden hersteld.

Is “karakter”3 eigenlijk niet het gedrag dat we door oefening en herhaling verinnerlijkt en tot een onlosmakelijk deel van onze natuur gemaakt hebben? In het begin kan het iemand moeite kosten om sommige goede eigenschappen tot een deel van zijn natuur te maken. Daarvoor moet hij al zijn wilskracht inzetten en een serieuze inspanning leveren. Met de tijd wordt dit gedrag een onlosmakelijk deel van zijn aard, en voortaan legt hij het, zonder erbij na te denken en zonder berekening, heel natuurlijk aan de dag. Dát is echt karakter. Toont iemand daarentegen goed gedrag dat hij nog niet tot een deel van zijn natuur heeft kunnen maken, alleen om in de ogen van anderen aanzien te winnen, dan ligt ogendienst op de loer. Dat betekent dat hij van de goede eigenschappen waarnaar hij verlangt nog geen karakter heeft kunnen maken en de hoogte van oprechtheid4 nog niet heeft bereikt.

Zeer opmerkelijk is wat Bediüzzaman5 hierover vaststelt: “Opzet is in zekere zin de dood van wat in een mens natuurlijk is. Wie bijvoorbeeld met opzet nederig is, bederft zijn nederigheid6; wie met opzet hooghartig is, doet zijn hooghartigheid teniet.”7 Dezelfde maatstaf kunnen we ook toepassen op andere goede eigenschappen. Wie bijvoorbeeld de indruk probeert te wekken van echtheid en loyaliteit, terwijl hij die eigenschappen nog niet tot een deel van zijn natuur heeft kunnen maken, doet daarmee afbreuk aan echtheid en loyaliteit. Gedrag dat iemand vertoont met de gedachte in de ogen van anderen als een goed mens en een voorbeeld gezien te worden, tast ook de oprechtheid aan. Waar het om gaat, is dat de eigenschappen die bij dienaarschap en een goed karakter horen, een onlosmakelijk deel van zijn natuur worden en gaandeweg vanzelf uit hem voortkomen, zonder erbij na te denken en zonder berekening. De weg daartoe is goede gedragingen telkens te herhalen en ze zo tot een deel van onze aard te maken.

Dat neemt niet weg dat het bij de naleving van de geboden en verboden van de godsdienst onvermijdelijk op de wil aankomt. Een moslim is verplicht om zich verre te houden van wat verboden is en de opgedragen diensten te verrichten, ongeacht welke gevoelens hij in zijn binnenwereld ervaart. Heeft hij bij diensten zoals de rituele wassing, het gebed of het vasten het gewenste niveau van oprechtheid nog niet bereikt, moet hij soms strijd leveren tegen de neiging ze voor het oog van mensen te verrichten, of vindt hij er niet de geestelijke voldoening in die hij ervan verwacht, dan kan dat geen excuus zijn om die dienst na te laten. Wat hem te doen staat, is zijn plichten als dienaar van God na te komen, zich terdege bewust van zijn verantwoordelijkheid. Natuurlijk is het ideaal dat hij, door zijn hart te zuiveren van alles buiten God, elke dienst met volkomen oprechtheid kan verrichten. Maar dat is een niveau dat gaandeweg verworven wordt, door volharding en inspanning.

Bij wat we de daden van het hart (aʿmāl al-qulūb) kunnen noemen, moet natuurlijkheid het uitgangspunt zijn. Goede eigenschappen zoals echtheid, loyaliteit, trouw, nederigheid en oprechtheid hebben het hart als middelpunt. Probeert iemand ze in zijn gedrag te tonen voordat ze in het hart wortel hebben geschoten, dan lijdt de echtheid schade en steekt het gevaar van ogendienst de kop op. Evenzo is het hart de bron van slechte eigenschappen zoals ogendienst (riyāʾ), gewilde ruchtbaarheid (sumʿah), zelfingenomenheid (ʿujb), eigenwaan (ghurūr), opschepperij (fakhr) en hoogmoed (kibr)8. Daarom is een gespeelde nederigheid, alleen om niet hoogmoedig over te komen, weer een andere vorm van ogendienst. Wat de gelovige te doen staat, is niet te proberen goed over te komen in de ogen van anderen, maar een dienaar te worden die bij God aanvaard is, door zijn hart te herstellen en zijn binnenwereld mooi te maken.

De weg om de daden te bevrijden van ogendienst is deze: het geloof verdiepen, het met goede daden versterken en die daden gaandeweg tot een deel van de eigen natuur maken. Iemand moet op dit punt zo tot rijpheid komen dat zijn geweten onrustig wordt zodra een andere overweging dan Gods welbehagen zijn hart ook maar raakt, en zich ertegen verzet. Dwaalt hij bijvoorbeeld tijdens het gebed ongemerkt af in wereldse gedachten, dan hoort er, zodra hij dat opmerkt, vanzelf onrust in zijn binnenwereld te ontstaan. Die onrust kan ertoe leiden dat hij onwillekeurig zijn hand of voet beweegt, zijn schouders ophaalt of met zijn hoofd schudt. Dat is de weerslag naar buiten van een reactie in zijn binnenwereld. Maar maakt iemand zulke bewegingen alleen maar door anderen na te doen, zonder dat zijn binnenwereld in zo’n staat verkeert, dan is dat ogendienst. Laat hij ze dan ook nog doorgaan voor de uiting van een diep dienaarschap, dan is dat dubbele ogendienst.

Een mens moet de opgedragen diensten in overeenstemming met zijn binnenwereld verrichten en zich daarin verre houden van houdingen die in strijd zijn met de heelheid van binnen en buiten. Sommigen kunnen bijvoorbeeld in het gebed in tranen uitbarsten door de invloed van de verzen die ze reciteren. Ook kunnen ze een vers telkens opnieuw reciteren, om de waarheden ervan tot in heel hun wezen te laten doordringen. Dat iemand die zo’n diepte niet kent, hetzelfde willens nadoet, is niet juist, want de voorwaarden en de pijlers van het gebed zijn door de Profeet ﷺ vastgesteld. Willens iets doen wat daartegenin gaat, past niet bij de geest van het gebed. Maar gaat iets als huilen, kreunen of de stem verheffen iemands wil te boven, dan geldt hij als verontschuldigd.

Hier moet ook nog iets anders gezegd worden. Fijngevoeligheid in de omgang, woorden van hoffelijkheid, bescheiden gebaren en complimenten zijn niet altijd een getrouw spiegelbeeld van iemands binnenwereld. Toch zijn zulke gedragingen een deel geworden van de gedeelde cultuur en de omgangsregels van de samenleving. Laat iemand ze helemaal achterwege, dan kan hij bevreemding wekken bij wie hij aanspreekt en wie iets van hem verwacht teleurstellen. Het kan er ook toe leiden dat er een verkeerd beeld ontstaat van hoffelijkheid en verfijning zoals de islam die opvat. In dat opzicht kunnen zulke omgangsvormen gezien worden als een verantwoordelijkheid die iemand tegenover de samenleving te vervullen heeft. Het is niet juist zulk gedrag over één kam te scheren met een houding die gespeeld is om de waardering en goedkeuring van mensen te krijgen; met die bedoeling hoort men het trouwens ook niet te doen. Dat neemt niet weg dat de gelovige zelfs hier zichzelf niet mag vertrouwen. Hij moet proberen zijn hart en zijn tong, zijn binnen en zijn buiten volledig met elkaar in overeenstemming te brengen, en hij mag nooit de vrees uit het oog verliezen dat God hem daarvoor ter verantwoording kan roepen.

Al met al is het eigenlijke doel van de gelovige niet om goed over te komen in de ogen van anderen, maar om bij God een eerlijke, echte en rechtschapen dienaar te kunnen zijn. Wie zijn binnenwereld en wat er naar buiten van hem zichtbaar wordt, volledig met elkaar in overeenstemming heeft gebracht, hoeft zich om het voorleven geen zorgen meer te maken, want zijn staat is op zichzelf al het sterkste voorleven. Ware oprechtheid toont zich niet in gespeeld gedrag waaraan in de binnenwereld niets beantwoordt, maar in een leven van dienaarschap: een leven dat gekneed is door het geloof, dat vorm heeft gekregen rond Gods welbehagen en dat met de tijd een onlosmakelijk deel van iemands natuur is geworden.

Voetnoten
  1. 1Voorleven: een waarheid wordt zonder woorden zichtbaar in iemands houding, gezicht en gedrag. Het is een blijvende innerlijke toestand die tegelijk daad is, en het gaat vóór verkondiging. ↩
  2. 2iḥsān: God dienen alsof je Hem ziet, want als je Hem niet ziet, ziet Hij jou (hadith van Jibrīl; al-Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Kitāb al-īmān, hadith 50; Muslim, Ṣaḥīḥ, Kitāb al-īmān, hadith 8). ↩
  3. 3khuluq, mv. akhlāq: in de klassieke ethiek een vast geworden toestand van de ziel waaruit daden voortkomen zonder nadenken of overleg, ook wanneer die toestand door oefening verworven is (Miskawayh, Tahdhīb al-akhlāq; al-Ghazālī, Iḥyāʾ ʿulūm al-dīn, Kitāb riyāḍat al-nafs). De Koran noemt het karakter van de Profeet ﷺ in 68:4. ↩
  4. 4ikhlāṣ: het handelen zuiver houden voor God alleen, zonder bijbedoeling tegenover mensen; het gaat om de gerichtheid van de daad op God, niet om eerlijkheid tegenover anderen (Koran 98:5; 39:2). ↩
  5. 5Said Nursi (overl. 1960), auteur van de Risāle-i Nūr; Bediüzzaman is zijn erenaam. ↩
  6. 6tawāḍuʿ: nederigheid; het tegendeel is takabbur, hooghartigheid (Koran 25:63; 31:18). ↩
  7. 7Said Nursi, Mesnevī-i Nūriye, hoofdstuk Shammah. ↩
  8. 8Zelfingenomenheid is behagen scheppen in de eigen daden en gaven, alsof ze van jezelf komen (vgl. Koran 9:25). Eigenwaan betekent hier: zich laten misleiden door wat men gekregen heeft en zich daarin veilig wanen (Koran 82:6; 57:20). ↩
Eerste publicatie 28 september 2026