Wat bepaalt wie jij werkelijk bent — je daden of je karakter? In dit artikel laat Fethullah Gülen Hodjaefendi de diepe betekenis van akhlāq zien, namelijk: de innerlijke vorming die de mens kan verheffen boven de engelen of doen afglijden onder het niveau van dieren. Dit houdt ons een spiegel voor: leef je in lijn met wie je bedoeld bent te zijn?
Akhlāq is het meervoud van khuluq en omvat betekenissen als karakter, aard, goedheid van geest, de gezindheid om het kwade te vermijden, en het bewustzijn dat men begenadigd is met aḥsan al-taqwı̄m (de allermooiste gestalte) – en het handelen vanuit dat besef. Waar het woord khalq verwijst naar de fysieke, materiële kant van de mens, duidt khuluq op de geestelijke en innerlijke dimensie – of anders gezegd: op het streven en de inzet om, in overeenstemming met de volmaaktheid waarmee men geschapen is, te leven binnen het kader van de wensen en geboden van de Schepper.
De geleerden hebben goede karaktereigenschappen en deugdzaam gedrag aangeduid als voortreffelijk karakter (akhlāq ḥasana), de schoonheid van karakter (maḥāsin al-akhlāq) en prijzenswaardig karakter (akhlāq ḥamı̄da). Slechte eigenschappen, negatief gedrag en een houding die niet past bij de mens die in de allermooiste gestalte geschapen is, hebben zij benoemd als gebreken van karakter (masāwı̄ al-akhlāq), verdorvenheid van aard (sūʾ al-khuluq), laakbaar karakter (akhlāq dhamı̄ma) en verwerpelijk karakter (akhlāq sayyiʾa).
Sommige onderzoekers hebben positief gedrag aangeduid als adab (goede manieren) en het tegenovergestelde als sūʾ al-adab (slechte manieren), en hebben hun beschouwingen rond dit begrip opgebouwd.
ʿAlı̄ (moge God tevreden met hem zijn) verwoordt goed karakter als volgt: اِجْتِنَابُ المَحَارِمِ وَطَلَبُ الحَلَالِ وَالتَّوْسِعَةُ عَلَى العِيَالِ “Huiveren voor alles wat God verboden heeft, het toegestane nastreven, en goed zorgen voor je gezin.”1
ʿIkrima (moge God tevreden met hem zijn) vergelijkt het met het fundament van een gebouw: لِكُلِّ شَىْءٍ أَسَاسٌ وَأَسَاسُُ اْلإِسْلَامِ الْخُلُقُ الْحَسَنُ “Alles rust op een fundament. Het fundament van de islam is goed karakter.”2
Ḥasan al-Baṣrı̄, de grote imam van de generatie na de metgezellen (tābiʿūn), omschrijft goed karakter als een open, vriendelijke uitstraling en anderen geen leed aandoen.3
Yaḥyā Ibn Muʿādh, een van de grote gestalten uit latere perioden van de islam, drukt het als volgt uit: “Slecht karakter is zo verderfelijk dat veel goeds erdoor vruchteloos wordt. Goed karakter is zo zegenrijk dat veel fouten erdoor geen blijvende schade aanrichten.”4
Sinds het bestaan van de mensheid is akhlāq vrijwel altijd een centraal thema geweest en is zij genoemd als een wezenlijke diepte van het doel waarvoor de mens geschapen is. Deugden als moed, dapperheid, edelmoedigheid, kuisheid, onschuld, oprechtheid, trouw, rechtvaardigheid, eerlijkheid, standvastigheid en ı̄thār (de bereidheid anderen boven zichzelf te stellen) zijn zelfs in de donkerste tijden van de geschiedenis door gewetensvolle mensen gekoesterd en hebben nooit geheel kunnen worden uitgewist.
Het laagste der lagen – het hoogste der hoogten
De mens is geschapen in de allermooiste gestalte: aḥsan al-taqwı̄m – de allermooiste gestalte, vorm, betekenis en inhoud. Hij is een stralende spiegel die als het ware een index vormt van alle goddelijke namen en eigenschappen. Zo een spiegel verduisteren met slecht karakter is een uiting van het tekortdoen aan de gave van de allermooiste gestalte, en van gebrek aan eerbied voor de positie die de mens bij God inneemt. De mens is door zijn rang bestemd om de engelen nabij te komen: soms heeft hij door zijn verfijning en fijngevoeligheid engelen met bewondering vervuld, en soms door grofheid en onbeschaamdheid zelfs duivels doen terugdeinzen van afschuw. Over de laatsten zegt de Koran: أُولَئِكَ كَاْلأَنْعَامِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ “Zij zijn als vee – sterker nog, in het niet kennen van weg noch spoor staan zij nóg lager.” (Soera al-Aʿrāf, 7:179)5
Zo heeft de Koran hen afgeschreven die het doel van hun schepping niet kennen.
De mens bevindt zich naar zijn aard in een positie van eb en vloed tussen asfal al-sāfilı̄n (het laagste der lagen) en aʿlā ʿilliyyı̄n (het hoogste der hoogten). Zolang hij het ego en de duivel volgt, zich afkeert van geloof en goede daden, zijn band met God niet onderhoudt en zichzelf overgeeft aan stagnatie, is het zijn lot om naar de diepste diepten af te glijden. Omgekeerd, wanneer hij zijn wilskracht inzet en vleugels krijgt door geloof en daadkracht, stijgt hij naar de hoogste toppen van volmaaktheid – dat is Gods vaste handelwijze. Toch kan de mens deze lijn niet altijd vasthouden, want zoals we zojuist aangaven: struikelen en fouten maken behoren tot de menselijke natuur. De Trots der Mensheid ﷺ wijst ons hierop met de woorden: “Adam vergiste zich en zijn nakomelingen vergissen zich; Adam vergat en zijn nakomelingen vergeten.”6 Bij Adam (vrede zij met hem) was zo’n misstap echter een zalla. Wanneer wij – God behoede ons – in een dergelijke toestand vervallen, is dat geen zalla; het is eerder een innerlijke breuk, een ontwrichting. Indien de mens zich niet tot God wendt, zijn band met Hem niet onderhoudt en zijn leven niet veiligstelt binnen de stevige omheiningen van de Koran en de Sunnah, raakt hij blootgesteld aan een opeenstapeling van breuken en kan hij – God behoede ons – niet ontkomen aan de verlammende greep van de lagere verlangens van het ego (hawā al-nafs).
Tegenover zo een ineenstorting en ontbinding dient de mens, vanuit het besef dat geloof voortdurend vernieuwd en verdiept moet worden, zich onophoudelijk tot God te wenden en zijn toevlucht bij Hem te zoeken – met zekerheid (yaqı̄n), inzicht (ʿirfān), liefde (ʿishq) en vurig verlangen (ishtiyāq). Hij dient zich volledig af te sluiten voor de aandriften van het bevelende ego (al-nafs al-ammāra), zich stevig vastklampen aan oprechtheid (ikhlāṣ) en het besef dat God hem ziet (iḥsān), en met het verlangen God te ontmoeten in zijn hart wakker blijven – zodat hij te allen tijde rechtop kan blijven staan tegenover mogelijke tegenslagen. Dit alles vormt de kernkracht van de goddelijke akhlāq zoals die is uiteengezet in de Koran en de Sunnah.
De islamitische ethiek (akhlāq), omlijnd door deze krachten, is geenszins een theoretische massa-ethiek of klasse-ethiek gebaseerd op beperkte observaties, zoals sommige pedagogen en psychologen menen. Integendeel: het is een volgroeid ethisch systeem dat het menselijk leven in al zijn facetten vormgeeft, alle negatieve elementen uit de ziel verwijdert en daarvoor verheven eigenschappen in de plaats stelt – en zo de mens naar een rang brengt die zelfs boven die van de engelen uitstijgt.
- Al-Ghazzālı̄, Iḥyāʾ ʿulūm al-dı̄n, 3/53. ↩︎
- Al-Ghazzālı̄, Iḥyāʾ ʿulūm al-dı̄n, 3/53; Ibn al-Jawzı̄, Ṣifat al-ṣafwa, 2/104; Ibn Kathı̄r, al-Bidāya wa ‘l-nihāya, 3/95. ↩︎
- Al-Ghazzālı̄, Iḥyāʾ ʿulūm al-dı̄n, 3/53. ↩︎
- Al-Ghazzālı̄, Iḥyāʾ ʿulūm al-dı̄n, 3/52. ↩︎
- Soera al-Aʿrāf, 7:179. ↩︎
- Al-Tirmidhı̄, Tafsı̄r sūra (7), 3; Abū Yaʿlā, al-Musnad, 11/263–264, 12/8–9; Ibn Ḥibbān, al-Ṣaḥı̄ḥ, 14/41. ↩︎
