De innerlijke diepten van de mens

De innerlijke diepten van de mens

Wat maakt een mens werkelijk mens? In een wereld waar zelfverheerlijking het wint van zelfinzicht, roept deze beschouwing op tot herontdekking van de mens als spiegel van het goddelijke. Een oproep tot bezinning in een wereld die steeds minder weet wat het betekent om écht mens te zijn.

De mens is de essentie en het extract van het bestaan, een microkosmos van al wat geschapen is. Alles wat bestaat, vindt zijn middelpunt in de mens; levende en niet-levende dingen vormen concentrische cirkels rondom hem. De Verheven Schepper heeft in diepere zin al het geschapene op de mens betrokken, en door in het hart van de mens het verlangen naar een steunpunt en een aanroepingspunt te doen ontwaken, heeft Hij hem verbonden aan Zijn heilige aantrekkingskracht.

Vanuit deze bijzondere positie draagt de mens een hart zo ruim als de werelden. Hij bezit het vermogen om de waarheid van het bestaan uit te spreken en de Almachtige te verkondigen.

In hem vindt het bestaan zijn tolk: het materiële wordt door zijn bewustzijn verfijnd tot betekenis. Zijn blik is een gave, dat hij het boek der schepping leest een voorrecht, en zijn vermogen om te verwijzen naar de Schepper een teken van diep inzicht. Voor wie dit niveau heeft bereikt, is zwijgen bezinning, spreken wijsheid, en iedere duiding – waarin het bestaan volledig wordt doorgrond – uiteindelijk liefde. 

Het is de mens die, als behoeder van het bestaan, de verborgen betekenissen van het materiële ontvouwt en aan de Schepper aanbiedt. Hij voelt, ervaart en begrijpt de diepe verbondenheid tussen mens, universum en God, en verheft dit tot innerlijke kennis.  

In het besef van zijn eigen vermogens en diepten verstaat hij het geheim dat hij de oceaan in een druppel en de zon in een stofdeeltje kan weerspiegelen, en met deze begenadiging in waardigheid zelfs boven de engelen uitreikt. Zijn aanwezigheid bekroont de aarde; hij brengt wat hem voorafging in ere, en door zijn schepping straalt deze aardse massa in trots tegenover de hemelen. Het bestaan is als een grenzeloze zee, en de mens is haar kostbaarste parel. Het universum ontvouwt zich als een reeks wonderschone tentoonstellingen, en hij is hun aandachtige toeschouwer. Dingen en gebeurtenissen vormen een harmonie van subtiele evenwichten, en de mens is hun fijnzinnige getuige. Door zijn geloof krijgt zijn denken en bewustzijn een helderheid die het bestaan, eerst gehuld in stilte en duisternis, doet oplichten als de dag. Zo verschijnt het bestaan in een schoonheid die in onze harten het verlangen naar het Paradijs wekt.

De aarde, bekroond door de komst van de mens

Voordat de mens zijn intrek op aarde nam, droegen de engelen de banier van de Waarheid door de hemelse sferen. Maar met de komst van de mens kreeg deze banier een nieuw gestalte, en begon zij te wapperen op de torens van de zichtbare wereld. Zo werd deze kleine aardbol, te midden van het oneindige heelal, tot een horizon van het eeuwige, en kreeg zij een waardigheid die de hemelen evenaarde. Zolang geloof zijn vreugdebron is, islam zijn levenspad, innerlijke kennis zijn reisproviand en liefde de kracht in zijn hart, is hij de kroon op de schepping. Zelfs de grond waarop zijn bestaan rust, verlangt naar het licht dat hij uitstraalt. 

Dit alles is niets anders dan een geschenk van God, voortgekomen uit Zijn gerichtheid op hem. Hiermee werd de mens de roos van deze tuin van pracht en praal, de nachtegaal van een wereld omschreven als “niets prachtigers is denkbaar”1 – en toch slechts een schaduw van het Paradijs.

Het oneindige verlangen van de mens

Deze wereld is als een galerij van in elkaar omsloten zalen, een samenhangend geheel, tot in de perfectie ingericht en geordend. Het is dan ook geen overdrijving te zeggen: dit alles is vormgegeven voor de mens. 

Voor hem is deze wereld als een tuin waarin hij bloeit als haar zeldzaamste roos; als een schelp die hem, de kostbaarste parel, omsluit. Geen grootspraak, maar een bescheiden beschrijving van de werkelijkheid. 

De schepping is in wezen verweven met de mens: zij krijgt stem door hem, betekenis dankzij hem, en is onder zijn hoede gesteld. Maar de mens zelf is, met alles wat hem is toevertrouwd, ten diepste afhankelijk van de Schepper die dit alles in zijn dienst stelde. Tussen schepping, mens en Schepper ontvouwt zich een opwaartse samenhang, waarin duidelijk wordt: het doel van de schepping is de mens en zijn toegewijde aanbidding.

“Al zou de wereld ons geschonken worden, onze honger zou niet gestild zijn…”

De behoeften van de mens zijn zo groot dat ze de hele schepping omvatten, en zo diep dat ze tot in de eeuwigheid reiken. Dat komt doordat wij geschapen zijn voor de eeuwigheid en het verlangen voor het eeuwige in ons dragen. Onze wensen kennen geen grenzen, onze verwachtingen zijn oneindig. Al zou de wereld ons geschonken worden, onze honger zou niet gestild zijn en onze diepste verlangens niet vervuld. Of we het ons bewust zijn of niet, we verlangen altijd naar het oneindige en verwachten een eeuwig thuis. 

Ieder wiens hart openstaat voor de waarheid, verlangt ernaar het Paradijs te aanschouwen en de Verheven Schepper te zien. Hij wiens majesteit zo groot is dat zelfs het Paradijs, met al zijn pracht, niets anders is dan een schaduw van Zijn volmaakte Schoonheid. 

De plaats van de mens tegenover zijn Heer

Ieder die de waarheid ziet in het aangezicht van het bestaan en de gebeurtenissen, en zich bewust is van de plaats van de mens in het universum, is goed op weg. Zo iemand is dankbaar voor wie hij is en staat open voor eerbied jegens zijn Heer. 

Wie zich echter niet bewust is van zijn plaats in het bestaan, kan niet werkelijk dankbaar zijn, noch werkelijk eerbied hebben voor zijn Heer. Sterker nog, zo iemand kan zijn Heer niet echt kennen, laat staan Hem het respect tonen dat past bij Zijn majesteit. 

Werkelijk mens-zijn ligt in het kennen en waarderen van de relatie tussen de dienaar en diens Heer. Waar deze relatie niet wordt herkend en gekoesterd, dreigt de mens – die in aanleg zelfs boven de engelen is verheven – te vervallen tot een staat lager dan die van onwaardige wezens.2

Waar geloof ontbreekt, groeit de leegte

Geloof is de innige band die de mens verbindt met God. Deze verbinding, zo benadrukt de grote denker Nursi, is wat een mens werkelijk tot mens maakt en soms zelfs tot koning verheft. Het ontbreken van die verbinding tast het mens-zijn aan en vervreemdt de mens in zijn essentie. 

In samenlevingen waar deze leegte de overhand krijgt, tieren haat en woede welig, overheersen lust en hebzucht, en voeren bedrog, schijnheiligheid, jaloezie en achterdocht de boventoon. Daar worden mensen tot elkaars roofdieren. Zulke gemeenschappen kunnen nauwelijks als samenleving worden beschouwd; het zijn niet meer dan richtingloze menigten. 

Hiertegen waarschuwde Diogenes al, toen hij op klaarlichte dag met een lantaarn de markt opging om naar een ‘echt mens’ te zoeken. Ook Marcus Aurelius schreef dat hij zich ’s ochtends schrap zette voor de wezens die hij die dag zou ontmoeten, en zich gelukkig mocht prijzen als hij de avond haalde zonder zelf aangevallen te worden of anderen te kwetsen. 

De grote mystica Rābiʿa al-ʿAdawiyya was nog scherper: “Zelden tref ik mensen op straat. Wat ik zie zijn vooral vossen, wolven en van tijd tot tijd andere schepsels die elkaar te lijf gaan; een keer zag ik een halve mens, en daarop bedekte ik mij.”   

Deze wijze mensen veroordelen hun gelijken niet door op deze manier te spreken. Ze schetsen eenvoudigweg de ellende van hen bij wie een gebrek aan innerlijkheid heeft geleid tot een onevenwichtigheid in de menselijke deugd.

De strijd in het innerlijke van de mens

Deze beschouwing toont hoe diepmenselijke waarden kunnen verworden tot leegte en verval wanneer innerlijke richting ontbreekt. Als mensen hun uiterlijke verschijning niet geregeld toetsen aan het doel waarvoor zij geschapen zijn, en hun innerlijke werkelijkheid niet laten overeenstemmen met hun uiterlijke staat – als zij de kloof tussen bestemming en gedrag, tussen essentie en vorm niet dichten – lopen zij het risico te worden gezien zoals Rābiʿa al-ʿAdawiyya en Marcus Aurelius mensen zagen.

Soms komen we mensen tegen wiens uiterlijk verzorgd is maar wiens innerlijk in wanorde verkeert. Een denker vergelijkt hen met gebouwen die twee verschillende gevels hebben: de voorkant is smetteloos, sierlijk en oogverblindend, maar de achterkant is verwaarloosd, vervallen en afstotelijk. We waarderen de voorkant, maar verafschuwen de achterkant. Zo is het ook met mensen. 

Het is een vergissing om hen op één aspect te beoordelen. We kunnen iemand eerst hemelhoog prijzen, om vervolgens diegene later geen plek op aarde meer te gunnen. In werkelijkheid kunnen zij die we als goed beschouwen slechte kanten hebben, en zij die we als slecht bestempelen juist goede eigenschappen bezitten.

Het komt erop aan om mensen te zien zoals ze zijn: hun goede kanten te waarderen en tegelijkertijd ons best doen om hun minder fraaie kanten weer in overeenstemming te brengen met hun ware wezen.

Tussen verheffing en verval: de strijd om het hart

De mens is het kind van zijn eigen eigenschappen. Welke trek in hem de overhand krijgt, bepaalt hoe hij denkt, spreekt en handelt. Soms groeit er in hem een monster, dat zelfs zijn eigen broer niet spaart. En soms wordt hij tot een Jozef, wiens gelaat straalt als de maan. Zo verlicht hij kerkers en maakt hij er een Hemelpoort van. Soms is hij zo zuiver, zo fijn van geest, dat zelfs engelen zich verwonderen. Maar soms zinkt hij zo diep, is hij zo kwaadaardig, dat zelfs de duivels er van terugdeinzen. Zoals Rumi zei: “Soms benijden engelen onze zuiverheid en zachtheid; soms huiveren de duivels van onze overmoed.” In andere woorden: hoe ver die twee uitersten ook van elkaar lijken, ze zijn in de mens diep met elkaar verweven. De mens kan soms zo verheven zijn als de hemel, maar ook zo laag dat zelfs slangen en schorpioenen naast hem barmhartig lijken. 

Wat een rekbaar en raadselachtig wezen is hij: enerzijds draagt hij schitterende deugden in zich, anderzijds ook duistere neigingen. Zijn hart is vol schoonheid en toch staat het open voor kwaad dat alle grenzen te buiten gaat. Geloof, wijsheid, liefde en geestelijke vreugde zijn hem even nabij als zijn eigen hart.

Mensen liefhebben, iedereen omarmen, leven in goedheid, zijn bestaan wijden aan het welzijn van anderen, het kwade keren met het goede, liefde beminnen en voortdurend de strijd aangaan met de vijandigheid in zijn eigen ziel – dat alles is hem zo vertrouwd als zijn eigen hartslag en adem. 

Maar ook negatieve krachten als hebzucht, wrok, haat, begeerte, laster, leugen, kwaadsprekerij, huichelarij, achterklap, eigenbelang, egoïsme, angst en zucht naar roem – ze liggen op de loer, klaar om hem in zijn zwakke momenten te overvallen. 

Hoewel de mens, met zijn goede eigenschappen en nobele daden, de potentie heeft om het kroonjuweel van de schepping te zijn, kan hij ook bezwijken aan verkeerde gevoelens en lage verlangens en vervallen tot een gevangene van zijn lagere zelf. Zo’n mens mag ogenschijnlijk vrij lijken, maar is in werkelijkheid de meest beklagenswaardige slaaf. 

Werkelijk vrij en deugdzaam is de mens pas wanneer hij slaagt in de grote innerlijke strijd.3 Wie het goede in zich wil laten bloeien en een tweede natuur wil ontwikkelen die openstaat voor de Waarheid, moet de grote innerlijke strijd weten te winnen en die overwinning beleven in volledige nederigheid en zelfvergetelheid.

Wie zijn hart verwaarloost, verliest zichzelf

Wie zich niet weet los te maken van oppervlakkigheid en weigert in zichzelf te kijken, ziet noch de diepten van zijn ziel, noch de leegte in zijn wezen. Wie zichzelf niet elke dag opnieuw vormt en hervindt, maakt in zijn innerlijke wereld geen echte vooruitgang, hoe vaak hij daar ook over spreekt; soms beweegt hij zelfs, zonder het te merken, steeds verder terug. Wie zijn ogen en oren, zijn tong en lippen, zijn handen en voeten niet weet los te maken uit de greep van zijn eigen ego, leeft als gevangene en sterft als gevangene – zonder het ooit te beseffen. Mensen die zo tot slaaf zijn geworden van hun lagere neigingen, zijn ten diepste te betreuren. 

Liefde en waardering komen toe aan wie zijn menselijkheid heeft bewaard en ontwikkeld. Tegenover anderen, zij die nog gevangen zitten in hun innerlijke driften, past ons vooral mededogen: het verlangen om hen te helpen zich van die slavernij te bevrijden. Zo’n houding is zowel een uitdrukking van liefde voor de mens, die door God als nobel wezen is geschapen, alsmede van betrokkenheid jegens hem omwille van God… En zo is de mens geschapen om geliefd te worden.


📖 Bron: Sızıntı, Ağustos 1999, Cilt 21, Sayı 247

 🇹🇷 Türkçe: https://fgulen.com/tr/eserleri/isigin-gorundugu-ufuk/Ic-Derinlikleriyle-Insan

  1. De uitdrukking laysa fī al-imkān abdaʿ mimmā kān (ليس في الإمكان أبدع مما كان) is afkomstig van Imām al-Ghazālī. Ze drukt uit dat er niets prachtigers of volmaakters denkbaar is dan wat bestaat. Binnen de islamitische theologie verwijst dit naar de schepping als perfecte manifestatie van goddelijke Wijsheid en Wil. Zie: al-Ghazālī, Iḥyāʾ ʿulūm al-dīn. ↩︎
  2. In Koran zegt in hoofdstuk 7, vers 179: “Ongetwijfeld zijn er onder de djinn en de mensen velen die Wij hebben geschapen en wiens eindbestemming de hel zal zijn. Zij hebben harten waarmee zij niet naar de essentie van zaken zoeken om de waarheid te bevatten, ogen waarmee zij niet zien en oren waarmee zij niet horen. Zij zijn als het vee – neen, zij zijn zelfs nog verder afgedwaald. Zij zijn het die onbedachtzaam en onbezonnen zijn.” Dit vers beschrijft mensen die hun vermogen tot inzicht en reflectie niet gebruiken en daarom verder afdwalen dan redeloze schepselen. ↩︎
  3. De grote innerlijke strijd, al-jihād al-akbar (الجهاد الأكبر), verwijst in de islam naar het streven om een zuiver en waarachtig mens te worden door het kwade in zichzelf te weerstaan. ↩︎