De diepten in onszelf (1)

De diepten in onszelf-1

Wat als het grootste mysterie van deze tijd niet buiten ons ligt, maar diep in onszelf? Terwijl we als mensheid sterren bereiken en atomen splijten, blijven velen vreemden voor hun eigen innerlijke wereld. In deze beschouwing verkent de auteur de vergeten kunst van zelfkennis.

‘Ik stel niks voor’ zeg jij, o mens; wist je maar beter….

Mehmet Akif Ersoy (1873-1936), Turkse dichter

Zelfbewustzijn en zelfbeheersing zijn weliswaar een van de meest wezenlijke eigenschappen van de mens. Merkwaardig genoeg, is dit precies wat de meesten van ons het meest verwaarlozen.

Hoeveel mensen kent u die zichzelf regelmatig onder de loep nemen? Hoeveel mensen die hun innerlijke wereld verkennen en zichzelf dagelijks opnieuw herontdekken – met al hun zwaktes en sterktes, hun leegtes en krachtbronnen, hun verliezen en winsten? Niet uit louter vluchtige nieuwsgierigheid, of zelfs schaamte, maar uit een oprechte honger naar zelfkennis. Hoeveel mensen plaatsen hun ego als het ware tegenover zich – op een stoel – en onderzoeken het dan, zoals een rechtvaardige, bekwame en nuchtere arts zijn patiënt onderzoekt: zonder vooringenomenheid, met mededogen en met een open blik voor de waarheid?

De vergeten kunst van zelfonderzoek

Er wordt gezegd dat boven de poort van Socrates’ school deze woorden stonden gegrift, woorden die hij zelf ook herhaaldelijk sprak: “Mens, ken uzelf.” Als een wapperend vaandel heeft dit woord geheven gestaan boven talloze huizen van wijsheid. Later vond het zijn weg naar onze soefi-scholen, waar het, met een goddelijke wending, een nieuwe vorm aannam: “Wie zichzelf kent, kent zijn Heer.” Maar hoeveel mensen hebben werkelijk geleefd naar de geest van deze verheven uitspraak? Ik vermoed dat het er niet velen zijn.

Zonder innerlijk oog blijft alles betekenisloos

Wie zichzelf niet kent, kan noch de ander noch de dingen om zich heen werkelijk kennen. Wie zijn eigen binnenwereld niet heeft ontdekt, blijft gevangen in een beperkt blikveld; zijn oordeel over mensen en dingen blijft oppervlakkig en onsamenhangend. Het schouwspel van de aarde, van begin tot eind; de ontzagwekkende en waardige gestalte van de bergen; het ruisen van de rivieren, beladen met een verlangen naar eeuwigheid; de hemel, die zich elke dag toont als een nachtelijke vlootparade van licht en de fijngevoeligheid van de mens beroert met lichten en diepten betoverender dan de meest bezwerende, duizelingwekkende harmonieën. En achter al deze fijn gesponnen sluiers lichten onophoudelijk de weerkaatsingen van de eeuwigheid op, die ons geweten een knipoog geven. Hun ware betekenis en waarde worden slechts zichtbaar wanneer zij gezien worden door het prisma van innerlijk inzicht. Ontbreekt dat innerlijk inzicht, dan verliest de hele schepping haar betekenis: het bestaan, geweven op het weefgetouw van het Bewaarde Tablet1 en telkens verschijnend als een belichaamde uitdrukking, een bundel van betekenisvolle woorden, zou niet te onderscheiden zijn van chaos.

De mens als bundel van tegenstrijdigheden

Vanaf de dag dat de mens de aandacht op zich vestigde, is hij ontelbare malen beschreven: oppervlakkig en diepgaand, grof en fijnzinnig, vluchtig en indringend, uit de hoogte en van dichtbij. Steeds opnieuw werd hij benaderd in zijn lichamelijke en geestelijke dimensies, in zijn uiterlijke gestalte en zijn innerlijke hart, in zijn gevoel en zijn rede.

De mens is immers een wezen van uitzonderlijke waarde. Soms zo zoet als honing, soms zo smakeloos en bedorven dat hij walging oproept. Soms open naar het oneindige, haast grenzeloos, soms gevangen in de benauwdheid van zijn eigen dwaasheid. Soms warm van nederigheid, soms kil en eenzaam in zijn trots. Soms sluw en verraderlijk, soms glashelder en doordrongen van vertrouwen. Soms draaiend om de as van zijn eigenbelang, soms ruimhartig, opofferend en groot van ziel. Soms woest, aanvallend en meedogenloos, soms zacht, rechtvaardig en barmhartig. Soms onecht en pronkerig, soms oprecht, zuiver en recht-door-zee. Soms scherp van inzicht en standvastig in zijn blik, soms kortzichtig, dwaas en potsierlijk.

En toch blijft hij, ondanks al deze uitersten, mens. Want deze tegenstrijdigheden raken zijn ware kern niet. Ze zijn evenmin, zoals sommigen menen, terug te voeren op instinct, overlevingsdrang of voortplantingsdrift. En ook de gedachte dat de mens slechts wordt wat hij van zichzelf maakt — zoals het existentialisme wil — doet geen recht aan zijn wezenlijke aard.

Deze veelkleurigheid van de mens moet worden gezocht in zijn bijzondere aard: in zijn aanleg tot het hoogste der hoge, het laagste der lage2 en alles daar tussenin. In het feit dat zowel de kiemen van het spirituele als van het driftmatige in hem zijn geplant. 

In het wel of niet kunnen richten van zijn natuur op een eeuwige bestemming in het spoor van de profeten; in het wel of niet kunnen herkennen van de edelstenen in zijn ziel; in het wel of niet ontdekken en benutten van zijn innerlijke vermogens; in het wel of niet afdalen tot in de diepste lagen van het hart bij het verkennen van zijn verborgen werelden; in het wel of niet recht doen aan zijn vrije wil; in het wel of niet aanvoelen van de geheimen achter het zichtbare bewustzijn; in het wel of niet richten van zijn gevoelens naar het bovenzintuiglijke; en uiteindelijk in het wel of niet verstaan van de ware werking van zijn geweten.

Tussen het laagste der lage en het hoogste der hoge

Wie zijn leven leeft vanuit de diepten van de geest, het hart en het geweten, loopt altijd richting het hoogste der hoge – ook wanneer hij onderweg struikelt over de hobbels van zijn natuur of de doornen van zijn aanleg. Wie daarentegen zijn bestaan doorbrengt in de kerker van het lichaam, draait als in een draaikolk rond, en zinkt met ieder moment dieper weg naar het laagste der lage.

Wie de mens benadert louter vanuit zijn verstand, zijn bewustzijn, zijn onderbewuste, zijn dierlijke driften of zijn sociale neigingen, heeft niets wezenlijks gezegd over zijn diepste wezen. Integendeel, ze hebben het beeld van de mens zó vertroebeld en verwrongen, dat hij verworden is tot iets afstotelijk – nauwelijks nog herkenbaar als mens. 

Voor de één is hij slechts een ‘denkend dier’; voor een ander een slachtoffer van het leven, geprogrammeerd om te eten, verteren en lozen. Voor weer anderen een wezen dat enkel leeft naar vleselijke lusten, met een bewustzijn en onderbewustzijn dat verwordt tot een mestvaalt van begeerte — week en afstotelijk.

Echter, de mens is in wezen zoveel meer dan dat. Verstand, bewustzijn, onderbewuste en sociale neigingen zijn onmiskenbaar belangrijke dimensies van hem, maar voorbij dit alles reikt hij verder.

Als hij werkelijk wil, en als het lot zijn pad effent, dan ligt er in zijn natuur een vermogen om alles in deze wereld te overstijgen – wat hij soms ook daadwerkelijk heeft gedaan. Hij bezit een innerlijke dynamiek die hem in staat stelt zowel zichzelf als de hele schepping te overtreffen.

Als hij erin slaagt die verborgen, haast magische kracht in zijn diepste kern te richten op de ware bron van al deze krachten en vermogens, overstijgt hij zichzelf, ontstijgt hij zijn vergankelijkheid, en geeft hij zelfs aan de muffe, bedorven en uiteenvallende resten van het bestaan een betekenis die alle waarde te boven gaat — waardoor zij kandidaten voor de eeuwigheid worden.

De mens kent alles – behalve zichzelf

Vandaag de dag is de mens in staat de bliksem te temmen en haar in dienst van de mensheid te stellen. Hij dringt door tot in de wereld van de atoom, reist door het rijk van het allerkleinste, en treedt in contact met sterrenstelsels miljoenen lichtjaren van ons verwijderd – hij ziet, hoort en brengt zelfs het onbereikbare tot voor zijn ogen. Met zijn gevoelens, gedachten, verbeeldingskracht, ontdekkingen en uitvindingen overbrugt hij alle denkbare afstanden. 

En toch lijdt hij onder het onvermogen zijn diepste wezen te begrijpen; hij zoekt zichzelf in de lage, dierlijke weiden van het bestaan. In deze afdwaling ligt de wortel van zijn wreedheid, zelfzucht, minachting voor recht en orde, grenzeloze begeerte, onverschilligheid en gemakzucht.

Ondanks de grenzeloze genialiteit van de mens, rust er een vloek op hem: de mens heeft zichzelf verkeerd begrepen.


📖 Bron: Sızıntı, Mayıs 1993, Cilt 15, Sayı 172

 🇹🇷 Türkçe: https://fgulen.com/tr/eserleri/gunler-bahari-soluklarken/Kendi-Derinlikleriyle-Insan-1


  1. De Bewaarde Tablet, al-lawḥ al-maḥfūẓ (اللوح المحفوظ), is volgens het goddelijke register waarin alles wat bestaat — verleden, heden en toekomst — is vastgelegd. Het weerspiegelt Gods alomvattende kennis en beschikking. ↩︎
  2. De uitdrukkingen aʿlā ʿilliyyīn (أعلى عليّين) en asfal as-sāfilīn (أسفل سافلين) verwijzen naar de uiterste spirituele verheffing en morele val waartoe de mens in aanleg in staat is. Beide begrippen zijn ontleend aan de Koran, respectievelijk (83:18) en (95:5). ↩︎